Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.2.1
6.2.1 Het recht om onderwerpen te agenderen voor een AV
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232666:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Schwarz, GS Rechtspersonen 2019/20, art. 2:109, aant. 1; Koelemeijer 1999, p. 83; Timmermans, Ondernemingsrecht 2012/121, par. 2.1; par. 4.8 concl. A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro). Timmerman merkt later in zijn conclusie (par. 4.39) op dat de wijze van behandeling van een agendapunt valt onder de “harde wettelijke” bevoegdheid tot vaststelling van de agenda van het bestuur en de raad van commissarissen. Dat is mij wat te stellig; het gaat hier niet om een exclusieve wettelijke bevoegdheid, maar om een niet-exclusieve afgeleide bevoegdheid.
Artikel 2:109 BW.
Artikel 2:109 BW en Schwarz, GS Rechtspersonen 2019/20, art. 2:109 BW, aant. 1.
Wet aanpassing structuurregeling van 9 juli 2004 (Stb. 2004, 370), in werking getreden per 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 405).
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 7 en 12.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/51e.
Zie ook: Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 23. Op 23 mei 2019 is een conceptwetsvoorstel Wet uitbreiding meldplichten aandeelhouders gepubliceerd ter consultatie. Dit wetsvoorstel beoogt een aanvullende meldingsdrempel van 2% in te voeren. De meldingsdrempel van 3% blijft bestaan, want (volgens de concept-memorie van toelichting): “De reeds bestaande drempelwaarde van 3 procent blijft van belang voor beursvennootschappen en andere beleggers in verband met het agenderingsrecht uit artikel 2:114a van het Burgerlijk Wetboek.” zie internetconsultatie.nl/wetuitbreidingmeldplichten.
De wettelijke drempel was eerst 1% of een beurswaarde van EUR 50 miljoen en is gewijzigd naar 3% bij de Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Stb. 2012, 588). In de praktijk hanteren veel beursvennootschappen nog het oude criterium dat gold voorafgaand aan de genoemde wetswijziging, omdat voor een verlaging van de drempel in lijn met de huidige wettelijke regeling een statutenwijziging nodig is, wat een AV-besluit vereist. De AV zal in de praktijk waarschijnlijk niet snel instemmen met een dergelijke wijziging.
Securities Exchange Act Rule 14a-8(b). In november 2019 heeft de SEC een voorstel gedaan tot wijziging van deze drempel (dit is te raadplegen via de website sec.gov). Het doel van deze wijzigingen is om constructieve betrokkenheid van langtermijnaandeelhouders te faciliteren. Zie hierover: H. Koster, ‘SEC voorstel wijziging shareholder proposal rule’, Ondernemingsrecht 2020/45.
Securities Exchange Act Rule 14a-8(c)-(d).
Securities Exchange Act Rule 14a-8(e).
Section 13(d) Securities Exchange Act. De melding geschiedt door een Schedule 13D formulier in te dienen bij de SEC.
Zie Strine 2017, p. 1895 en 1931. Overigens geeft Strine aan dat ook voorafgaand aan publicatie andere hedge funds instappen, hetgeen erop duidt dat deze partijen elkaar zouden informeren, wat in de Verenigde Staten overigens ook niet verboden is. Zie Strine 2017, p. 1896-1897. In Nederland moet een substantieel belang “onverwijld” worden gemeld. Volgens p. 34 van de Leidraad voor aandeelhouders van de AFM betekent “onverwijld” dat de tijd tussen het moment van weten of behoren te weten van het over- of onderschrijden van een drempelwaarde, en het moment dat de AFM de melding ontvangt, zo kort mogelijk dient te zijn gegeven de omstandigheden.
Eisenberg & Cox 2014, p. 1222. Een volgende verkrijging van minder dan 1% kan ook onder de meldingsplicht vallen wanneer deze om andere redenen materieel zijn.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/55c.
Zie kennelijk anders: Overkleeft, Ondernemingsrecht 2009/167, par. 5-6, die betoogt dat het agenderingsrecht door de wetgever louter bedoeld was ter agendering van bespreekpunten en niet van stempunten. Die visie lijkt lastig te rijmen met de wetsgeschiedenis, waarin duidelijk wordt dat het agenderingsrecht ook bedoeld is ter agendering van stempunten voor zover die zien op onderwerpen die vallen onder de bevoegdheid van de AV. Zie bijvoorbeeld de – in datzelfde wetsvoorstel opgenomen – toelichting bij de invoering van de ontslagbevoegdheid van de AV ten aanzien van de gehele raad van commissarissen in de structuurregeling, waarin is opgemerkt dat aan dit ontslagrecht slechts invulling kan worden gegeven indien een recht van agendering voor kapitaalverschaffers wordt opgenomen (Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 39-40). Zie over agendering van het ontslag van de raad van commissarissen ook: Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 5, p. 49.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/56 en Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.5.4.
Assink, MvO 2018/7, par. 5.3; par. 4.19 en 4.27 concl. A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro).
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7, p. 5 en HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.4. Zie ook: Assink, MvO 2018/7, par. 5.7.
Dit is mede het geval omdat het Europees recht hoge eisen stelt aan toepassing van dergelijke uitzonderingen als grondslag voor een weigering van een agenderingsverzoek, zie ook Assink, MvO 2018/7, par. 5.7.
Deze mogelijkheid wordt ook erkend in de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap (Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 14).
Zie over de laatstgenoemde vorm van beperking: Oranje, TOP 2015/8.
Wet van 30 juni 2010 tot wijziging van boek 2 van het BW en de Wft ter uitvoering van Richtlijn nr. 2007/36/EG betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PbEU L 184) (Stb. 2010, 258). Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 11, p. 43. Zie ook: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/57b.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 7, p. 5. Dit betreft een procedureel recht ter facilitering van de uitoefening van bestaande rechten van aandeelhouders. Noch de richtlijn noch de implementiewetgeving kende inhoudelijk nieuwe rechten toe aan aandeelhouders. Zie hierover uitgebreid: par. 4.40 concl. A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro).
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 11.
Zoals Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/57c opmerken zal een weigering zelden gerechtvaardigd zijn.
Zie in dezelfde zin: Peters & Eikelboom, WPNR 2015/7061, par. 3.1; Eikelboom, MvO 2017/10, par. 2.1.
W. Snijders, ‘Good faith as a Dutch and as a European concept’, in: A.S. Hartkamp e.a., The influence of EU law on national private law (Serie Onderneming en Recht, deel 81-I; general part), Deventer: Kluwer 2014, p. 549-551.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 21.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 5, p. 27 en 50.
Par. 4.20 concl. A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 11, p. 43. Met “vrijwel” bedoel ik dat een agendapunt op grond van artikel 2:8 lid 2 BW bijvoorbeeld geweigerd kan worden indien het onderwerp in geen enkele relatie staat tot de activiteiten van de onderneming. Dat is een inhoudelijke toets, maar wel een zéér marginale. Zie ook: Peters & Eikelboom, WPNR 2015/7061, par. 3.2 en Willems, Ondernemingsrecht 2017/116, par. 7.
Zie ook: Timmerman, TvOB 2018/1, par. 2, die kortgezegd opmerkt dat het onderwerp op de agenda moet worden geplaatst, maar dat het bestuur en de raad van commissarissen kunnen weigeren deze verplichting na te komen. Ik lees dit zo dat Timmerman bedoelt dat het bestuur en de raad van commissarissen wel degelijk een verplichting hebben om te voldoen aan het verzoek, maar dat deze organen er vanuit een soort burgerlijke ongehoorzaamheid voor zouden kunnen kiezen het verzoek af te wijzen, zonder dat zij daar een wettige grond voor hebben. In die zin heeft Timmerman wat mij betreft gelijk. Zie in dezelfde zin als Timmerman: Croiset van Uchelen 2019, p. 40. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/57c interpreteren Timmerman overigens anders en menen dat hier bedoeld wordt dat het bestuur en de raad van commissarissen een agenderingsverzoek kan weigeren (dat lees ik als: gerechtvaardigd) als het van mening is dat zo’n weigering in het belang van een goede gang van zaken van de vennootschap is. In die lezing heeft Timmerman wat mij betreft geen gelijk, zoals Van Solinge en Nieuwe Weme ook menen.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 21 en Kamerstukken I 2001/02, 28 179, B, p. 11. Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/57 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/209.1.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/57e.
Artikel 2:107 BW. Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 21; Kamerstukken I 2001/02, 28 179, nr. 5, p. 27; Kamerstukken I 2001/02, 28 179, B, p. 11.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/292 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/233. Zie ook Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. C, p. 24: “Voor een bestuursbesluit is vereist dat een bepaalde rechtsbetrekking tot stand komt, wordt gewijzigd of wordt teniet gedaan. Een bestuurder kan daarnaast allerlei feitelijke beslissingen nemen in het kader van zijn taakvervulling (zoals het aansturen van het personeel), maar deze beslissingen zullen veelal niet kwalificeren als bestuursbesluit.”
Zie bijvoorbeeld C.A. Schwarz, ‘Beslissen en besluiten, enkele overpeinzingen over een lastig te vatten thema’, in: JB. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.B. Huizink, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 511 e.v.
Van Vught komt in zijn proefschrift, onder andere op grond van een vergelijking met het Duitse recht, tot de conclusie dat hiervoor beschreven heersende leer moet worden verlaten, zie K.A.M. van Vught, Het besluit van de rechtspersoon (diss. Nijmegen) (Serie Van der Heijden Instituut nr. 162), Deventer: Wolters Kluwer 2020, hoofdstuk 2. Hij meent, net als Schwarz (zie voorgaande voetnoot), dat elk besluit erop neerkomt dat een bindende beslissing wordt genomen die aan de rechtspersoon als zijn wil wordt toegerekend. Negatieve beslissingen zijn, aldus Van Vught, besluiten en kunnen daarom nietig of vernietigbaar zijn, waarbij het voor de hand ligt dat de rechter met de bevoegdheid wordt uitgerust om in dat soort gevallen een positief besluit vast te stellen. Deze voorgestelde oplossing overtuigt mij nog niet. In het systeem van de wet kunnen besluiten nietig zijn of vernietigd worden, zodat het bestuur een nieuw besluit kan nemen dat wel aan de eisen voldoet. Behalve in uitzonderlijke omstandigheden ligt het mijns inziens niet in de rede dat de rechter, wanneer hij een besluit nietig acht of vernietigt, zelf tot besluitvorming overgaat in plaats van het bestuur. Dat past binnen de gedachte dat de rechter niet snel op de stoel van het bestuur zal gaan zitten. Niettemin zal het proefschrift van Van Vught aanleiding vormen tot nieuwe discussie en gedachtenvorming over deze onderwerpen.
Securities Exchange Act Regulation 14A-8(f).
Securities Exchange Act Regulation 14A-8(i).
Het gaat dan om activiteiten die minder dan 5% van de activa van de vennootschap en minder dan 5% van de nettowinst en brutowinst vertegenwoordigen en die ook anderszins niet significant zijn.
Dit betekent niet dat aandeelhouders zich niet mogen mengen in de benoeming en het ontslag van directors. Dergelijke contested elections zijn niet ongebruikelijk, zie ook paragraaf 3.3 van dit proefschrift. Het doel van deze uitzondering is ervoor te zorgen dat de proxy regels die gelden voor dergelijke contested elections niet omzeild kunnen worden door gebruikmaking van de shareholder proposal rule, die beperktere voorwaarden en waarborgen kent. Zie SEC Final Rule 17 CFR PART 240 amending Rule 14a-8(i)(8).
Securities Exchange Act Regulation 14A-8(i).
Idem.
Securities Exchange Act Regulation 14A-8(j).
Eisenberg & Cox 2014, p. 363.
Eisenberg & Cox 2014, p. 363.
Onder Nederlands recht is het uitgangspunt dat degene die bevoegd is een AV op te roepen tevens bevoegd is de agenda vast te stellen.1 In beginsel zijn het bestuur en de raad van commissarissen hiertoe bevoegd.2 Deze bevoegdheid kan statutair ook aan anderen worden verleend, maar niet aan het bestuur en de raad van commissarissen worden ontnomen.3 In 2004 is het agenderingsrecht geïntroduceerd met de invoering van artikel 2:114a BW.4 Hiermee werd beoogd de rol van de AV als podium voor informatie-uitwisseling te verbeteren, ter bevordering van de relatie tussen kapitaalverschaffers en het bestuur.5 Thans kunnen houders van (bewilligde certificaten van) aandelen, die alleen of gezamenlijk 3% of meer van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, het bestuur en de raad van commissarissen van een beurs-NV ten minste 60 dagen voorafgaand aan een AV schriftelijk verzoeken een onderwerp ter behandeling op de agenda te plaatsen.6 In de statuten kan het agenderingsrecht worden uitgebreid, in de zin dat de drempel van 3% lager kan worden gesteld en de termijn van 60 dagen kan worden verkort. Het agenderingsrecht kan niet statutair worden beperkt of uitgesloten ten aanzien van aandeelhouders met stemrecht.7 De drempel van 3% sluit overigens aan bij de huidige drempel voor het melden van een substantieel belang als bedoeld in artikel 5:38 Wft.8 Wanneer de wettelijke drempel wordt aangehouden in de statuten, heeft een beurs-NV dus een goed beeld van welke aandeelhouders zelfstandig over het agenderingsrecht beschikken. Veel beursvennootschappen houden voor het agenderingsrecht echter nog de oude drempel van 1% aan.9
In de Verenigde Staten kunnen aandeelhouders voorstellen laten opnemen in het proxy statement van de vennootschap indien zij economisch houder zijn van een aandelenbelang van 1% of $2.000 vertegenwoordigen in stemgerechtigde aandelen voor de duur van ten minste een jaar.10 Dit wordt aangeduid als de shareholder proposal rule. Iedere aandeelhouder mag maximaal één voorstel per AV aandragen dat niet meer dan 500 woorden mag betreffen.11 Het voorstel moet ten minste 120 kalenderdagen voorafgaand aan publicatie van het proxy statement voor de laatste jaarlijkse AV of, indien het een voorstel voor een niet-reguliere AV betreft, op een redelijke termijn voordat de vennootschap haar proxy materialen verstuurt, door de vennootschap zijn ontvangen.12 In de Verenigde Staten bestaat een verplichting tot het melden vanaf een belang van 5% van de stemrechten van een bepaalde klasse in het kapitaal van een beursvennootschap, hetgeen binnen 10 dagen na verkrijging van het belang moet worden gemeld.13 Deze relatief lange termijn kan hedge fund-activisme in de hand werken omdat hedge funds, op het moment dat zij zich bekendmaken, al een 5% kapitaalbelang hebben opgebouwd tegen de oorspronkelijke beurskoers, terwijl die beurskoers veelal stijgt vanaf de bekendmaking.14 Elke volgende verkrijging van 1% of meer dient overigens ook te worden gemeld.15
Het agenderingsverzoek aan het bestuur en de raad van commissarissen moet een met redenen omkleed verzoek of een voorstel voor een besluit bevatten. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn niet verplicht de letterlijke formulering van het onderwerp of de toelichting over te nemen, maar de strekking moet wel de lading van het verzochte onderwerp dekken.16 Het agenderingsrecht is bedoeld voor het aandragen van zowel bespreekpunten als stempunten.17
Aandeelhouders kunnen verzoeken onderwerpen ter besluitvorming (als stempunt) op de agenda te laten plaatsen voor zover de AV de bevoegdheid heeft daarover te besluiten.18 Aandeelhouders kunnen in beginsel alle soorten onderwerpen ter discussie (als bespreekpunt) op de agenda van de AV laten plaatsen, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben daarover te besluiten.19 Het bestuur en de raad van commissarissen kunnen onder omstandigheden besluiten de uitoefening van het agenderingsrecht te weigeren of te beperken. Weigering van een agenderingsverzoek door het bestuur en de raad van commissarissen is enkel mogelijk in uitzonderlijke gevallen, waarbij de grondslag voor een dergelijke weigering gelegen kan zijn in artikel 2:8 lid 2 BW of artikel 3:13 lid 1 BW.20 Dat is bewust een hoge drempel.21 Dezelfde hoge drempel geldt mijns inziens als geen sprake is van weigering, maar van beperking van het agenderingsrecht. Van beperking is sprake wanneer een voorgesteld stempunt over een onderwerp ten aanzien waarvan de AV bevoegd is, wordt geagendeerd als bespreekpunt,22 of wanneer het bestuur gezien de omstandigheden een langere termijn aanhoudt dan de voorgeschreven 60 dagen.23
In het verleden bepaalde artikel 2:114a BW nog dat een agenderingsverzoek kon worden geweigerd indien een “zwaarwichtig belang” van de vennootschap zich daartegen verzette.24 In 2010 is deze beperking geschrapt ter uitvoering van de Aandeelhoudersrichtlijn.25 De weigeringsgrond van een “zwaarwichtig belang” van de vennootschap zag slechts op uitzonderlijke gevallen,26 maar zelfs het handhaven van die beperkte weigeringsgrond zou volgens de minister strijdig zijn met de Aandeelhoudersrichtlijn.27 Dit impliceert dat de weigeringsgronden onder de huidige regeling nog beperkter zijn dan de uitzonderlijke gevallen onder de oude regeling. Met de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn is niet slechts de bevoegdheid van het bestuur en de raad van commissarissen tot weigering van een agendapunt ingeperkt. De Aandeelhoudersrichtlijn, zo gaf de minister aan, gaat uit van een “ander systeem”, waarbij aandeelhouders het recht krijgen om punten aan te dragen voor de agenda van de AV met als enige eis dat het punt wordt gemotiveerd of vergezeld gaat van een ontwerpbesluit.28 Indien daaraan is voldaan, moet het voorgestelde punt – zo zegt de minister – “in beginsel” tot opname van het onderwerp in de agenda leiden.29 De minister heeft daarbij ook expliciet overwogen dat het agenderingsrecht geldt als een gerechtvaardigde inbreuk op de autonomie van het bestuur (en de raad van commissarissen) om de agenda van een AV te bepalen.30 In feite is er vrijwel geen plaats meer voor weigering of beperking van een verzoek tot het opnemen van een voorgesteld punt op de agenda, mits (a) dit punt in overeenstemming met de procedurele regels is verzocht en (b) het een bespreekpunt betreft of, indien het een stempunt betreft, de AV bevoegd is over het onderwerp te besluiten.31
Hoewel er wel degelijk een grondslag voor een bevoegdheid tot weigering of beperking van een agenderingsverzoek gelegen kan zijn in artikel 2:8 lid 2 of 3:13 lid 1 BW, moet de omvang van deze bevoegdheid richtlijnconform, en dus zeer beperkt, worden uitgelegd.32 Nationale beperkingen van Europees recht, zoals op grond van redelijkheid en billijkheid, kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan.33 Het gaat dan om evidente gevallen van misbruik van recht of frauduleuze handelingen. Weigering kan mijns inziens alleen gerechtvaardigd zijn in het geval van objectief gezien volstrekt onredelijke verzoeken, zoals bij het verzoeken van een onderwerp dat al op de agenda staat,34 een extreem lange reeks voorgestelde agendapunten,35 een onderwerp dat in geen enkele relatie staat tot de activiteiten van de onderneming,36 of punten die zijn voorgesteld uitsluitend met het doel de vergaderorde ernstig te verstoren.37 Zoals A-G Timmerman aangaf in zijn conclusie bij het Fugro-arrest:
“Formele gronden dus om een agenderingsverzoek te weigeren. De in de parlementaire geschiedenis gegeven voorbeelden sluiten daarop aan. Daarin is geen ruimte voor bezwaren die betrekking hebben op de aard en inhoud van het onderwerp. De ondergrens is dat het onderwerp verband houdt met het functioneren van de vennootschap en de activiteiten van haar onderneming. Voor het overige moet gedachtewisseling over alle onderwerpen kunnen plaatsvinden, los van de vraag tot wiens bevoegdheid die onderwerpen behoren.”38
Strijd met het vennootschappelijk belang is geen gerechtvaardigde grond voor het weigeren van een agenderingsverzoek. Dat was ook al niet voldoende onder de oude regeling (daar moest immers al sprake zijn van strijd met een zwaarwichtig belang van de vennootschap), maar sinds de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn laat de wet vrijwel geheel niet meer toe dat het bestuur en de raad van commissarissen een voorgesteld agendapunt vooraf inhoudelijk toetsen.39 Volgens de wetsgeschiedenis is weigering dan ook niet gerechtvaardigd enkel omdat een voorstel zeer ingrijpend is, zoals bij een voorgesteld agendapunt inhoudende het ontslag van de voltallige raad van commissarissen,40 het vertrouwen in het functioneren van bestuurders of commissarissen,41 of een verzoek tot openbaarmaking van concurrentiegevoelige informatie.42 Het uitgangspunt is thans dat een correct voorgesteld en aangeleverd agendapunt moet worden opgenomen in de agenda.43 Achteraf kunnen besluiten eventueel wel vernietigd worden op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid.44
Het voorgaande neemt niet weg dat bestuur en raad van commissarissen in de praktijk zouden kunnen weigeren een onderwerp op de agenda te plaatsen zonder dat zij daar een goede grond voor hebben.45 Een afwijzing zonder goede grond of voldoende motivering is een handelen in strijd met een wettelijke plicht. Afhankelijk van de aard en het belang van het punt kan dit ertoe leiden dat een rechter oordeelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur of onrechtmatige daad.46 In een enquêteprocedure zal dit er toe kunnen leiden dat de Ondernemingskamer meent dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken.47 Of de soep daadwerkelijk zo heet gegeten wordt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het bestuur dient te handelen in het vennootschappelijk belang; ook dat is een wettelijke plicht. Bij dergelijke conflicterende plichten zal een zorgvuldige belangenafweging gemaakt worden. Ik kan ik mij voorstellen dat wanneer het bestuur in het vennootschappelijk belang een andere wettelijke plicht (die tot agendering) verzaakt, dit in bepaalde gevallen zonder gevolg blijft.
Agenderingsgerechtigden kunnen bij weigering van het agenderingsvoorstel in kort geding verzoeken dat de beurs-NV ertoe wordt veroordeeld in de agenda alsnog het voorgestelde punt op te nemen voor de komende AV of, indien dat niet meer haalbaar is, voor een daaropvolgende AV.48 Als het noodzakelijk is dat het voorgestelde punt wordt geagendeerd voor de komende AV, dan kan dat leiden tot uitstel van de AV, indien het belang van de agenderingsgerechtigde opweegt tegen het belang van de beurs-NV bij het niet uitstellen van de AV.49 De aandeelhouder kan tijdens de AV ook vragen om inlichtingen over de redenen voor de weigering van het door hem voorgestelde agendapunt.50
De vraag kan opkomen of het weigeren van een voorgesteld agendapunt door het bestuur kwalificeert als een besluit van de vennootschap dat open staat voor vernietiging op grond van artikel 2:15 BW. Hierbij zijn twee verschillende visies te onderscheiden. In de heersende visie wordt aangenomen dat alleen sprake is van een besluit als bedoeld in de artikelen 2:14-16 BW wanneer daar een rechtsgevolg aan verbonden is.51 In deze visie kwalificeert een negatieve beslissing (zoals het weigeren van een agendapunt) niet als een besluit als bedoeld in de artikelen 2:14-16 BW. Er komt immers geen rechtsgevolg tot stand. In de andere visie kwalificeert iedere beslissing van het bestuur (dus ook een afwijzing) als een besluit, aangezien steeds de wil van de rechtspersoon wordt bepaald.52 Het voert te ver hier uitgebreid in te gaan op deze discussie. Vooralsnog kan ik mij vinden in de heersende leer. In de praktijk zal een voorstel tot agendering van een agendapunt door het bestuur worden besproken en in stemming worden gebracht. Als er te weinig stemmen vóór het voorstel zijn, dan is de vereiste wettelijke of statutaire meerderheid niet gehaald. Er is dan geen besluit tot stand gekomen (oftewel: het besluit is niet aangenomen). Een en ander kan worden bezien zoals de besluitvorming binnen de AV; als een besluit te weinig stemmen krijgt in de AV dan wordt ook niet gesproken van een negatief besluit dat open staat voor vernietiging. De vereiste meerderheid is dan niet gehaald en het besluit is niet aangenomen. Het resultaat van de stemming, bestaande uit een afwijzing van het voorstel, is niet vatbaar voor vernietiging.53
In de Verenigde Staten kan een verzoek van een aandeelhouder tot het opnemen van een voorstel in de proxy statement van de vennootschap worden afgewezen door de vennootschap indien de aandeelhouder niet aan de formele vereisten voldoet en dat gebrek ook niet tijdig wordt geheeld.54 Het verzoek kan daarnaast ook worden afgewezen door de vennootschap indien het voorstel een onderwerp betreft dat niet onder de aandeelhoudersbevoegdheid valt (“the proposal is not a proper subject for action by shareholders”).55 Of dat het geval is moet weer worden beoordeeld naar het recht van de staat van oprichting.
Verder kan een verzoek door de vennootschap worden afgewezen indien het voorstel (1) strijdig is met de proxy regels of, indien geïmplementeerd, zou leiden tot schending van het recht, (2) een persoonlijke zaak betreft, die de andere aandeelhouders niet aangaat, (3) ziet op onbelangrijke activiteiten van de vennootschap,56 (4) niet geïmplementeerd kan worden door de vennootschap omdat zij daarvoor de bevoegdheid mist, (5) ziet op de gebruikelijke ondernemingsactiviteiten van de vennootschap (en dus op de bevoegdheid van de board of directors), (6) te maken heeft met de benoeming of het ontslag van directors,57 of (7) een specifiek bedrag aan dividend betreft.58 Verder zijn er nog enkele formelere afwijzingsgronden, waardoor de vennootschap een voorstel ook mag afwijzen indien het voorstel (1) direct tegenstrijdig is met een voorstel van de vennootschap tijdens dezelfde AV, (2) al grotendeels geïmplementeerd is, (3) overeenkomt met een ander voorstel van aandeelhouders dat al zal worden opgenomen in de proxy materialen voor dezelfde AV, of (4) op hetzelfde onderwerp ziet als een voorstel dat de laatste vijf jaar in de proxy materialen was opgenomen, mits het in die eerdere vergaderingen bepaalde (en overigens lage) goedkeuringsdrempels niet heeft gehaald.59
Indien de vennootschap een aandeelhoudersverzoek wil afwijzen, dan dient zij dit met redenen onderbouwd en ten minste 80 kalenderdagen voorafgaand aan indiening van de proxy materialen bij de SEC te melden.60 De SEC bevestigt haar visie op de mogelijke uitsluiting van het voorstel in een ‘no-action letter’. Anders dan de naam doet vermoeden kan deze brief dus ook inhouden dat de SEC het niet eens is met de vennootschap en de mogelijkheid open laat dat de SEC wel actie onderneemt bij een uitsluiting van het voorstel.61 Indien de SEC het eens is met de vennootschap, dan zal de no-action letter vermelden dat de SEC geen actie zal ondernemen indien het voorstel niet wordt opgenomen in het proxy statement.62