Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.3.1:9.3.1 De bewijslastverdeling in Verordening 1/2003
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.3.1
9.3.1 De bewijslastverdeling in Verordening 1/2003
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576423:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze bewijslastverdeling ook HvJ EG 7 januari 2004, gevoegde zaken C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 PC-213 P, C-217/00 Pen C-219/00 P (Aalborg Portland), Jur. 2004, p. 1-123.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bewijslastverdeling bij de privaatrechtelijke handhaving van het Europees mededingingsrecht wordt niet door het nationale burgerlijk procesrecht bepaald, maar door Verordening 1/2003.1Artikel 2 Verordening 1 /2003 luidt namelijk als volgt:
'In alle nationale of communautaire procedures tot toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag dient de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 81, lid 1, of artikel 82 van het Verdrag is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk te dragen. De onderneming of ondernemersvereniging die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.'
Uit de vijfde considerans kan worden afgeleid dat Verordening 1/2003 geen afbreuk doet aan de nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard of aan de plicht van de rechterlijke instanties van de lidstaten de relevante feiten van een zaak vast te stellen, mits dergelijke voorschriften en plichten verenigbaar zijn met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht. De vijfde considerans van Verordening 1/2003 luidt als volgt:
'Met het oog op een daadwerkelijke handhaving van de communautaire mededingingsregels onder eerbiediging van de fundamentele rechten van de verdediging, moet deze verordening regels bevatten inzake de bewijslast op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. Het bewijs van inbreuk op de artikelen 81, lid 1, en 82 van het Verdrag moet rechtens genoegzaam worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert. De onderneming of ondernemersvereniging die verweer voert tegen een bewezen inbreuk moet rechtens genoegzaam het bewijs leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden. Deze verordening doet geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard of aan de plicht van de mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten de relevante feiten van een zaak vast te stellen mits dergelijke voorschriften en plichten verenigbaar zijn met algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.'
De Nederlandse regels betreffende de bewijslastverdeling komen overeen met de bepaling zoals opgenomen in artikel 2 Verordening 1/2003. De wetgever heeft de bewijslastbepaling uit Verordening 1/2003 (artikel 2) dan ook niet overgenomen in de Mededingingswet, op arikel 6 lid 4 Mw na. Wel is naar Nederlands burgerlijk procesrecht een uitzondering mogelijk indien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Op grond van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Naar Nederlands burgerlijk procesrecht dient een inbreuk op de mededingingsregels dan ook bewezen te worden door de partij die zich op een inbreuk beroept. De partij die zich beroept op de uitzondering van artikel 81 lid 3 EG of artikel 6 lid 3 Mw draagt de bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 81 lid 3 EG of artikel 6 lid 3 Mw. In artikel 6 lid 4 Mw is nu ook nog eens expliciet neergelegd dat een onderneming of ondernemersvereniging die zich op het derde lid van artikel 6 Mw beroept, dient te bewijzen dat aan dat lid is voldaan.