Beleidsbepaling en aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.8:6.8 Samenvatting
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.8
6.8 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254480:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot voor overtreding van artikel 20 lid 1 en 2 WvK aan bod gekomen. Daartoe heb ik eerst het consensuele karakter van de commanditaire vennootschap blootgelegd. Het wezen van deze rechtsvorm verlangt dat alle deelnemers in beginsel ook deelnemen aan haar organisatie en beleidsvorming. De wijze waarop deze vennootschap deelneemt aan het rechtsverkeer, onder een gemeenschappelijke naam, maakt haar tot een op zichzelf staande eenheid met een eigen identiteit. Daaraan zijn ook implicaties verbonden die de verwachtingen van anderen in dat rechtsverkeer beïnvloeden. Wij hebben gezien dat die implicaties verschillen per soort vennoot. De commanditaire vennootschap kent daarvan twee: de gewone vennoot en de commanditaire vennoot. Deze laatste onderscheidt zich doordat hij bij wijze van geldschieting bij de vennoot is betrokken. Zijn hoedanigheid komt met een bijzondere rechtspositie, een beperkte aansprakelijkheid. Die beperking geldt in twee opzichten. Jegens zijn medevennoten is hij in de eerste plaats tot niet meer gehouden dan het bedrag van zijn overeengekomen inbreng. Ten tweede kan hij door derden, die met de vennootschap hebben gehandeld, niet worden aangesproken. De gewone vennoten zijn daarentegen hoofdelijk jegens deze derden verbonden en als zodanig verplicht tot nakoming van de namens de vennootschap aangegane verbintenissen. Zij zijn het echter ook, die deze verbintenissen namens de vennootschap kunnen aangaan. In beginsel rust verder op hen de taak om de zaken der vennootschap te beheren; zij zijn bevoegd tot intern handelen dat gelet op het doel van de vennootschap tot de normale werkzaamheden behoort. Daden die dat bestek te buiten gaan, behoren tot de bevoegdheid van alle vennoten gezamenlijk. Extern bestaat voor de gewone vennoten in beginsel de mogelijkheid om verbintenissen namens de vennootschap, en dus ook haar gewone vennoten, aan te gaan. Als uitgangspunt geldt dat die bevoegdheid slechts is beperkt tot het verrichten van handelingen die (indirect) aan de verwezenlijking van de doelen van de vennootschap dienstig kunnen zijn. De commanditaire vennoot speelt in dit geheel maar een bescheiden rol. Ingevolge artikel 20 lid 1 WvK mag zijn naam niet in de firmanaam voorkomen (naamvoeringsverbod) en ingevolge het tweede lid is hij uitgesloten van het beheer van de vennootschap en evenmin bevoegd haar te vertegenwoordigen (bestuursverbod).
Vervolgens is de achtergrond van vorenbedoeld bestuursverbod belicht. Daaruit bleek dat dit verbod met name is bedoeld om derden te beschermen, in welk verband artikel 20 WvK ook wel dient te worden gekarakteriseerd als een bepaling die beoogt te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de aan de hoedanigheid van de commanditaire vennoot verbonden beperkte aansprakelijkheid. De reikwijdte van deze bepaling bleek echter ook omstreden te zijn. Dat zij strekt tot het verbieden van externe handelingen staat niet ter discussie. Of en in hoeverre intern handelen onder haar werking valt daarentegen wel. Ik heb betoogd dat die discussie inmiddels tot het verleden behoort. De bepaling bestrijkt ook het intern handelen van de commanditaire vennoot, doch de mate waarin dat het geval is kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Zelf meen ik dat interne bemoeienissen van de commanditaire vennoot slechts met aansprakelijkheid worden bedreigd, indien dat intern handelen zich extern manifesteert. Dat vereist een actief handelen van de commanditaire vennoot. Mijns inziens kan een dergelijk handelen zich uiten door een eigen extern handelen van de commanditaire vennoot, dan wel doordat hij de gewone vennoten (feitelijk) aanstuurt tot een dergelijk handelen. Als het hen aan enige beleidsvrijheid ontbreekt, handelt de commanditaire vennoot in wezen zelf. Uitsluitend wanneer ook een dergelijk handelen van de commanditaire vennoot tot de reikwijdte van artikel 20 WvK wordt gerekend, is de bepaling een effectief middel om op te komen tegen het misbruik dat zij beoogt te bestrijden.
Maar wat is de omvang van de aansprakelijkheid waarmee vorenbedoelde overtredingen worden bedreigd? Voor de beantwoording van die vraag is met name relevant dat aan artikel 21 WvK, waarin de sanctie op overtreding van bovengenoemde verboden is vervat, een punitief karakter wordt toegeschreven. Dat karakter leidde lange tijd tot een zeer strikte toepassing van de bepaling, als gevolg waarvan de (omvang van de) aansprakelijkheid die de commanditaire vennoot bedreigde als onbillijk werd beschouwd. Het punitief karakter bracht de commanditaire vennoot echter ook verlichting. De Hoge Raad leidde eruit af dat hem ten minste enig verwijt van zijn overtreding moet kunnen worden gemaakt. Dit vereiste laat wat ruimte om te concluderen dat bepaalde overtredingen van het bestuursverbod toelaatbaar zijn, als daaraan omstandigheden ten grondslag liggen die de aanvankelijke verwijtbaarheid van de overtreding kunnen wegnemen. Een handelen dat juist in het belang is van schuldeisers kan zo’n omstandigheid zijn. Er zal in ieder geval sprake moeten zijn van een toerekenbare, persoonlijke normschending wil de conclusie kunnen luiden dat de commanditaire vennoot artikel 20 lid 1 of 2 WvK heeft geschonden. In zijn Katterug-arrest heeft de Hoge Raad het punitief karakter van artikel 21 WvK wederom bevestigd. Dat weerhield hem er echter niet van om vervolgens terug te komen op de strenge toepassing van de bepaling en de commanditaire vennoot zodoende tegemoet te komen in diens aansprakelijkheidspositie. Naast voornoemde verwijtbaarheid, die bij de beoordeling van een schending van artikel 20 WvK aan de orde is, maakt de Hoge Raad ruimte voor een tweetal mitigerende factoren met betrekking tot de aansprakelijkheid die uit zo’n schending voortvloeit. Als uitgangspunt geldt dat de commanditaire vennoot dan aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap, ongeacht wanneer deze zijn ontstaan. Die aansprakelijkheid moet evenwel proportioneel zijn gelet op de aard en ernst van de overtreding. De rechter kan daartoe de omvang van de aansprakelijkheid matigen. Dit proportionaliteitsbeginsel zal mijns inziens veelal moeten leiden tot een beperking van de aansprakelijkheid. De Hoge Raad laat voorts ruimte om aansprakelijkheid in het geheel achterwege te laten indien en voor zover zij door het handelen van de commanditaire vennoot niet of niet ten volle wordt gerechtvaardigd. Daartoe zal de commanditaire vennoot bijzondere omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen. Een handelen dat als zaakwaarneming is te kwalificeren of een handelen in het belang van de schuldeisers zou als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het achterwege laten van de sanctie van artikel 21 WvK vormt niettemin een uitzondering op de hoofdregel dat de commanditaire vennoot voor overtredingen van de in artikel 20 lid 1 en 2 WvK genoemde verboden aansprakelijk wordt voor alle verbintenissen van de vennootschap en ter zake door iedere wederpartij van de vennootschap kan worden aangesproken. Ten slotte heb ik betoogd dat naar geldend recht een vergelijking tussen de commanditaire vennoot enerzijds en de (mede)beleidsbepaler anderzijds zich moeilijk laat indenken en naar mijn mening geen toegevoegde waarde heeft.
De laatste paragraaf bood een blik naar de toekomst. Het eind 2016 gepresenteerde Rapport Modernisering Personenvennootschap vormt een basis voor een nog te verschijnen wetsvoorstel dat de personenvennootschappen 21e eeuw-proof moet maken. Daartoe is op 21 februari 2019 een Ambtelijk Voorontwerp met toelichting gepubliceerd. Ik heb zowel het voorstel van de Werkgroep als dit Ambtelijk Voortonwerp besproken. Voor de commanditaire vennoot heeft de Werkgroep een geheel nieuw regime bedacht, waarin afstand wordt gedaan van het naamvoerings- en bestuursverbod. Niet alleen kan de commanditaire vennoot als (enig) bestuurder van de vennootschap fungeren, hij mag haar ook krachtens volmacht vertegenwoordigen. Zijn aansprakelijkheid houdt nog slechts verband met deze vertegenwoordiging. Ontbreekt het de commanditaire vennoot aan een (toereikende) volmacht, dan is zij te baseren op artikel 3:70 BW en heeft uitsluitend de desbetreffende derde een vordering jegens de commanditaire vennoot. Het gevaar schuilt juist in een bevoegdelijk handelen van de commanditaire vennoot. Dat wordt namelijk bedreigd met een bijzondere aansprakelijkheidsregeling in geval van faillissement van de vennootschap. De effectiviteit van deze regeling heb ik ter discussie gesteld, alsook verschillende knelpunten die naar mijn mening nog een oplossing behoeven. Met het Ambtelijk Voorontwerp sluit de wetgever voor wat betreft de commanditaire vennootschap inhoudelijk grotendeels aan bij het voorstel van de Werkgroep. Helaas roept het ontwerp ook de nodige vragen op en leidt de gekozen benaderingswijze tot onduidelijkheden. De eigen gedachtevorming van de wetgever verhoudt zich mijns inziens niet goed met het cherrypicken van ideeën en bepalingen uit het Rapport. Ik heb in het voorgaande met name aandacht gevraagd voor de onduidelijkheid die de wetgever laat bestaan over de positie van de commanditaire vennoot als bestuurder van de CV. In termen van aansprakelijkheid heeft de wetgever het voorstel van de Werkgroep overgenomen. Al met al heeft vooral de Werkgroep met zijn initiatief een fraaie eerste voorzet gegeven voor een modernisering van de rechtspositie van de commanditaire vennoot, maar werpen zowel het voorstel van de Werkgroep als het daarop gebaseerde Ambtelijk Voorontwerp ook de nodige vragen op.