Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.2.1
5.3.2.1 Het TETS Haskovo-arrest (vervolg)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494248:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Uit r.o. 35 maak ik op dat voor herziening ook geen plaats zou zijn geweest als de gebouwen in het geheel zouden zijn gesloopt en de verkoop van het schroot niet belast zou zijn geweest met btw, hetgeen mij juist voorkomt.
Echter leidt zij – mits naar behoren bewezen en aangetoond – op grond van art. 185 lid 2 Btw-richtlijn evenmin tot herziening. Ik zou derhalve menen dat wanneer de sloop in casu toch was aangemerkt als een ‘gewijzigde omstandigheid’, zoals bedoeld in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn, herziening op grond van art. 185 lid 2 Btw-richtlijn zou zijn uitgesloten.
In paragraaf 5.3.1.3 heb ik kort stilgestaan bij het TETS Haskovo-arrest. Ik ben daarbij selectief geweest met het aanhalen van rechtsoverwegingen en heb de relevante feiten en omstandigheden slechts summier geschetst. Het TETS Haskovo-arrest handelde over het volgende. TETS Haskovo hield zich bezig met het opwekken van elektriciteit en de distributie van warmte. In het licht van deze activiteiten dreef TETS Haskovo een thermo-elektrische centrale in Haskovo, Bulgarije. Bij wijze van een inbreng in natura van een onroerendgoedcomplex werd het kapitaal van TETS Haskovo verhoogd. De inbrenger (naar mag worden aangenomen de aandeelhouder) had het onroerendgoedcomplex vlak daarvóór van de gemeente Haskovo met btw aangekocht, welke btw door de inbrenger in aftrek was gebracht. Het onroerendgoedcomplex bestond uit onder meer drie gebouwen voor het opwekken van energie (een koeltoren, een schoorsteen en een zogenaamd opwekkingsgebouw). De inbreng zelf werd (althans door de belastingdienst) aangemerkt als een overgang van een (gedeelte van een) algemeenheid van goederen,1 zodat de inbreng niet werd beschouwd als de levering van goederen en er derhalve geen btw verschuldigd was. Ruim één jaar later verkreeg TETS Haskovo een bouwvergunning om de thermo-elektrische centrale te moderniseren. Onderdeel van deze modernisering was de sloop van de drie ingebrachte gebouwen, welke sloop een halfjaar later plaatsvond. Het bij de sloop verkregen schroot werd belast met btw door TETS Haskovo verkocht aan derden. De belastingdienst besloot desondanks de door de inbrenger in aftrek gebrachte btw bij TETS Haskovo te corrigeren, omdat volgens hem met de sloop was voldaan aan de voorwaarden voor herziening van de aftrek. TETS Haskovo was echter van mening dat voor herziening geen plaats was, omdat de gebouwen waren gesloopt met het oog op vervanging van nieuwe gebouwen waarmee btw-belaste prestaties zouden worden verricht. Het geschil belandde uiteindelijk bij de Bulgaarse rechter, die besloot het HvJ in te schakelen. Het HvJ buigt zich vervolgens over vraag of de sloop van de gebouwen moet worden beschouwd als een ná de btw-aangifte ingetreden wijziging van de elementen die voor het bepalen van de btw-aftrek in aanmerking zijn genomen.
Na de betekenis en de ratio van art. 185 lid 1 Btw-richtlijn in herinnering te hebben gebracht (zie paragraaf 5.3.1.3), overweegt het HvJ ten aanzien van de vraag kort en krachtig als volgt:
“34. In een situatie als in het hoofdgeding aan de orde verbreekt de vervanging van verouderde structuren door modernere gebouwen met dezelfde functie en derhalve het gebruik daarvan voor belastbare handelingen geenszins het rechtstreekse verband tussen de verwerving van de betrokken gebouwen enerzijds en de economische activiteiten die de belastingplichtige naderhand verricht anderzijds. De verwerving van de litigieuze onroerende goederen en de daaropvolgende sloop met het oog op hun modernisering kunnen derhalve worden beschouwd als een reeks met elkaar verbonden handelingen met als doel het verrichten van belastbare handelingen, op dezelfde voet als de aankoop van nieuwe onroerende goederen en het rechtstreekse gebruik daarvan.
35. Dit ligt te meer voor de hand in omstandigheden waarin de verworven gebouwen slechts gedeeltelijk zijn gesloopt, nieuwe gebouwen zijn opgericht op dezelfde, tevoren verworven terreinen en afval afkomstig van de gesloopte oude gebouwen is verkocht en deze verkoophandelingen overigens belastbare handelingen waren.”
Hieruit kan worden opgemaakt dat van een ‘wijziging in de elementen’ sprake is wanneer een gebeurtenis ertoe leidt dat het rechtstreekse verband tussen de afgenomen goederen en diensten en de belastbare handelingen komt te vervallen. Omdat hiervan in casu geen sprake was, komt het HvJ tot de conclusie dat de sloop van de gebouwen niet kan worden beschouwd als een ná de btw-aangifte ingetreden ‘wijziging in de elementen’.2
De vraag komt op hoe het arrest zich verhoudt tot de categorie van ‘vernietiging’. In dat verband voel ik wel wat voor de benadering van A-G Kokott in haar conclusie bij onderhavige zaak:
“43. In ieder geval kan het in artikel 185, lid 2, eerste alinea, van de btw-richtlijn gebruikte begrip vernietiging aldus worden uitgelegd dat dit uitsluitend de vernietiging van goederen omvat die niet geschiedt ten behoeve van belaste handelingen van een belastingplichtige. Indien een goed bijvoorbeeld toevallig of voor privédoeleinden van de belastingplichtige is vernietigd, is het herzieningsmechanisme van art. 185 van de btw-richtlijn ook naar mijn opvatting in beginsel van toepassing.”
Zolang de vernietiging plaatsvindt met het oog op toekomstige belaste prestaties, en daarmee het rechtstreeks verband tussen de aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten in een later stadium niet wordt verbroken, valt een vernietiging niet onder de reikwijdte van art. 185 Btw-richtlijn. Dit is anders als de vernietiging op andere gronden geschiedt. In dat geval valt de vernietiging wel onder de vleugels van art. 185 Btw-richtlijn.3