De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.5.3.2:15.5.3.2 Ontstaat er een biedplicht en voor wie?
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.5.3.2
15.5.3.2 Ontstaat er een biedplicht en voor wie?
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367634:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoals de overgangsvrijstelling voor op 27 oktober 2007 bestaande samenwerkingsverbanden (§ 15.2.2.2).
Een voorbeeld is de vrijstelling voor degene die toetreedt tot een bestaand, krachtens overgangsrecht vrijgesteld samenwerkingsverband (§ 15.2.2.3).
Dit speelt niet in alle hiervoor genoemde vrijstellingen, maar enkel waar (deels) doorlopende voorwaarden worden gesteld, vgl. § 15.5.2.2. De grandfathering-vrijstelling bijvoorbeeld (§ 15.2.2.2), is om die reden hier niet van belang.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een voor de praktijk relevante vraag is of er een biedplicht ontstaat bij het wijzigen van de omstandigheden en zo ja, voor wie.
In zijn algemeenheid kan deze vraag niet worden beantwoord. Dat komt omdat iedere vrijstelling anders van karakter is. Sommige vrijstellingen gelden bijvoorbeeld voor alle deelnemers1, terwijl anderen enkel voor bepaalde deelnemers gelden2 . Dat aan sommige vrijstellingen wel voorwaarden verbonden en aan andere niet maakt het ook moeilijk om algemene uitspraken te doen; bovendien verschillen die voorwaarden zeer sterk van elkaar.
Wel moet onderscheiden worden tussen gevallen waarin niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling (zie hierna sub I) en gevallen waarin sprake is van een change of control in een vrijgestelde situatie (sub II). In zekere zin is dit kunstmatig nu in ieder van de hieronder te bespreken gevallen kan worden gezegd dat de vrijstelling afhankelijk is van het niet-plaatsvinden van een latere change of control. Bij de vraag op wie de biedplicht komt te rusten heeft het onderscheid meer betekenis.
Men bedenke dat een biedplicht pas ontstaat na afloop van de gratietermijn van 30 dagen – behoudens verlenging van die termijn – na de verwerving van overwegende zeggenschap (art. 5:72 lid 1 Wft). Aangenomen moet worden dat in alle gevallen waarin het verval van een vrijstelling met zich brengt dat overwegende zeggenschap wordt verworven, het belang kan worden afgebouwd binnen de gratietermijn dan wel om ontheffing van de biedplicht door de OK kan worden gevraagd (§ 15.5.3.3).
I. Het niet langer voldoen aan de voorwaarden
Het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling (§ 15.5.2)3 , leidt niet meteen tot een biedplicht. Daarvoor is in ieder geval vereist dat er als gevolg daarvan overwegende zeggenschap wordt verworven. Of dat aan de orde is en op wie de biedplicht dan rust moet per geval beoordeeld worden en is mede afhankelijk van de soort vrijstelling.
II. Change of control
De zaak ligt anders als er sprake is van een change of control binnen het samenwerkingsverband, de tweede mogelijke oorzaak van het verlies van de vrijstelling (§ 15.5.2). Zo hier een biedplicht ontstaat – hetgeen naar thans geldend recht niet in alle gevallen duidelijk is, maar ik wel zou willen aannemen (§ 15.3.2.2) – dan enkel voor degene die de controle verwerft binnen het samenwerkingsverband. Uiteraard staat ook hier een beroep op de gratie-regeling open en kan de OK om ontheffing worden verzocht (§ 15.5.3.3).