Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/25:25 Samenloop van criteria
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/25
25 Samenloop van criteria
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS503967:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 24 februari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI6428, r.o. 3.9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vaak zullen in een zaak meerdere criteria voor toepassing in aanmerking komen. Op het moment dat een handeling onevenredig nadeel aan een ander toebrengt, zal vaak ook wel kunnen worden gezegd dat de bevoegdheid waarop de handeling is gebaseerd wordt gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (en andersom uiteraard). In het hierboven aangehaalde voorbeeld over voorlopig deskundigenbericht zou met een redenering gebaseerd op het criterium van de belangenafweging precies hetzelfde resultaat worden bereikt. De rechter zou in dat geval kunnen vaststellen dat het belang van de verzoeker om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken – na reeds drie expertiserapporten – zich onevenredig verhoudt tot het belang van de wederpartij bij spoedige afdoening van de zaak. De verzoeker had in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht kunnen komen en dit verzoek kan dan ook als misbruik van bevoegdheid worden aangemerkt. Een volgend voorbeeld kan dit nader verduidelijken.
Vennootschap A verhuurt een stuk land aan vennootschap B. Op enigmoment wil B het stuk land van A kopen omdat zij al lange tijd (meer dan 20 jaar) huurt en zij inmiddels een reeds bestaand gebouw op het terrein heeft gesloopt en opnieuw gebouwd. Onderhandelingen over verhoging van de huurprijs of verkoop aan B lopen stuk omdat A uitsluitend wil verkopen tegen een onredelijk hoge prijs. In de loop van de onderhandelingen zegt A de huurovereenkomst met B op en vordert ontruiming. Het hof oordeelt:
‘Terecht hebben A c.s. aandacht gevraagd voor het gegeven dat de wet een huurovereenkomst als de onderhavige onbeperkt opzegbaar doet zijn. Aan de grond voor de opzegging kunnen dan ook geen inhoudelijke eisen worden gesteld, behalve dan dat het recht de overeenkomst op te zeggen niet mag worden misbruikt (artikel 3:13 BW). Hiervoor is vastgesteld dat A de opzeggingsbevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan deze is gegeven, namelijk als pressiemiddel in de verkooponderhandelingen, met het oogmerk voor zichzelf een voordeel te behalen dat niet in enige verhouding staat tot de door haar te leveren prestatie en in dat verband dreigt aan B een aanzienlijke schade te berokkenen (lees: te worden berokkend; JV). Een dergelijk handelen moet onder de gegeven omstandigheden worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid.’1
A gebruikt de bevoegdheid om de huurovereenkomst op te zeggen met een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk als pressiemiddel in de verkooponderhandelingen. Echter, met net zoveel recht kan worden gesteld dat het belang bij uitoefening van de bevoegdheid door A niet in verhouding staat tot de schade die B door uitoefening leidt. Beide criteria worden hier door elkaar gebruikt en ondersteunen elkaar. Zo blijkt dat een strakke scheiding tussen de criteria niet te maken valt. Op het moment dat in een casus misbruik aan de orde zou kunnen zijn blijken de criteria nuttig als eerste houvast. Echter, een één-op-één toepassing van de criteria op verschillende casusposities zal niet snel tot de overtuiging leiden dat sprake is van misbruik. Ieder misbruik zal uiteindelijk aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld.