Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.3.9
2.3.9 Rechtsgevolgen
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254173:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/198.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 322 (MvA II).
HR 15 december 1995, NJ 1996/691, m.nt. W.M. Kleijn (Damen/Dentjens).
HR 15 december 1995, NJ 1996/691, m.nt. W.M. Kleijn (Damen/Dentjens), r.o. 4.6.
Kleijn, NJ 1996/691, nr. 5.
Kleijn, NJ 1996/691, nr. 5.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 278 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 278 (MvA II).
143. Het vonnis van de rechter wijzigt het beperkte recht (of heft het beperkte recht op).1 Inschrijving van het vonnis van de rechter is dus geen constitutief vereiste voor de wijziging (of opheffing). Inschrijving is echter wel aan te raden, in verband met de werking van art. 3:24 BW. Op grond van art. 3:17 aanhef en onder e BW is het vonnis tot wijziging van een beperkt recht in te schrijven. Op die manier wordt de werking van art. 3:24 BW uitgesloten.2
144. Uit de eerder aangehaalde uitspraak inzake Damen/Dentjens mag mijns inziens niet worden afgeleid dat pas met inschrijving van het vonnis de erfdienstbaarheid wordt gewijzigd.3 In die zaak is bepaald dat de wijziging pas effect krijgt als met een bebouwing is begonnen en dat ook pas dan het vonnis kan worden ingeschreven.4 Volgens Kleijn hebben rechtbank en hof “bepaald dat de wijziging van de erfdienstbaarheid eerst goederenrechtelijk zou werken door inschrijving van het vonnis (…).”5 Zoals Kleijn in zijn annotatie ook aangeeft is de wijziging in dit geval afhankelijk gesteld van de vervulling van een voorwaarde.6 De rechter kan een vordering tot wijziging van het beperkte recht toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden (art. 5:81 lid 1 BW). De rechter heeft hier “de grootst mogelijke vrijheid”.7 Dat betekent dat de voorwaarde niet alleen in betaling van een schadeloosstelling aan de eigenaar van het heersende erf kan bestaan, maar bijvoorbeeld ook in de verplichting voor de eigenaar van het dienende erf tot het aanbrengen van een wijziging in de feitelijke toestand van zijn erf.8