Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.7.4:4.7.4 Evaluatie
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.7.4
4.7.4 Evaluatie
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661261:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Vranken Algemeen deel****2014/166.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De herijking van de toepassing van het vertrouwensbeginsel resulteert in de bevinding dat de toepassing van het vertrouwensbeginsel bijstelling verdient. De toepassing van het vertrouwensbeginsel voldoet niet meer in het licht van het juridische kader van de voorlichtende taak en maatschappelijke en juridische ontwikkelingen. De huidige koers in de voorlichtingsjurisprudentie biedt de burger niet voldoende rechtsbescherming. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het ‘beter’ moet. Voor een terughoudende koers bestaan goede argumenten, maar daar tegenover staan overtuigende tegenwerpingen. Het legaliteitsbeginsel (strikte wetstoepassing) en het vertrouwensbeginsel (bescherming van gewekt vertrouwen) dienen beide rechtsstatelijke belangen, dus er is een adequate(re) belangenafweging nodig, die berust op verdedigbare argumenten (paragraaf 2.6.3, 4.2, 4.3.2). De afweging hangt mede af van de maatschappelijke context waarin het recht functioneert, zoals opvattingen over de verhouding burger-overheid, de functie van voorlichting in het recht en de mate waarin juridische regels aan de burger vallen uit te leggen. Dat laatste is in het juridisch perspectief in toenemende mate relevant geworden (paragraaf 2.2.3).
Waar en in welke mate wringt de juridische benadering met ‘de werkelijkheid’ die het bestrijkt?1 Een geïsoleerd juridisch perspectief geeft hierop niet direct een adequaat antwoord. In het kader van dit onderzoek neem ik daarom hierna een andere invalshoek. Mijns inziens is het noodzakelijk om vertrouwenwekkende voorlichting vanuit een ander perspectief te belichten: het perspectief van de burger. Bij een juridisch onderwerp dat de burger in een zodanige mate aangaat als het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen, mag zijn perspectief niet worden genegeerd. Hoe kan voorlichting en het vraagstuk van het daaraan te ontlenen vertrouwen vanuit het perspectief van de burger worden bezien? Deze vraag was op zich reeds relevant voor het recht, maar deze heeft onmiskenbaar aan belang gewonnen nu de positie van de burger in het rechtsstatelijk denken meer aandacht krijgt (paragraaf 2.2.3). De andere invalshoek van het burgerperspectief leidt tot een beter geïnformeerde afweging in het juridisch perspectief. In het volgende deel van het onderzoek zal ik dan ook – geoperationaliseerd aan de hand van de taal- en communicatiewetenschap – het burgerperspectief op vertrouwenwekkende voorlichting behandelen.