Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.5
1.5 Relevantie onderzoek
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455186:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Berlin 1969, p. 23. Berlin stelt dat de ervaring van het gebrek aan vrijheid vaak overeenkomt met het niet erkend worden, het niet als volwaardig worden gezien en het ontkennen van het zelfdefiniërende vermogen van individuen en groepen. Zie ook Taylor 1995, p. 43.
De algemene wil van de gemeenschap die tot uitdrukking komt in de democratische wijze waarop rechtsnormen (en hun achterliggende waarden) tot stand komen. Zie Verbrugge 2000. Zie ook EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10 (Eweida), par. 79. Hierin overweegt het EHRM dat de vrijheid van godsdienst ‘… is one of the most vital elements that go to make up the identity of believers and their conception of life …’.
In 2016 telt het CBS ongeveer 850.000 moslims in Nederland. In 1996 waren dit er nog ongeveer 600.000. Zie www.cbs.nl.
Vgl. Roy 2011, p. 7, 8.
Met het begrip godsdienst in het recht staan grote belangen op het spel. Ten eerste voor de justitiabele. Immers, in het geval dat de juridische betekenis van godsdienst niet meer aansluit bij die van gelovigen zouden de rechten die de gelovigen in hun godsdienstuitoefening beogen te beschermen hun doel niet bereiken. Ze kunnen dan los komen te staan van het oorspronkelijke object en nog wel iets beschermen, maar niet het godsdienstig belijden dat de gelovige voor ogen staat. Bovendien kan dan de identiteit van gelovigen door de juridische uitleg van godsdienst worden gestuurd.1 Het recht herbergt immers de constituerende krachten van de algemene wil van de gemeenschap, het plaatst individuen en groepen in een betekenisvol kader dat vervolgens de zelfinterpretatie van deze groepen en individuen beïnvloedt.2 Ten tweede voor de rechtsorde als systeem. Met name bezien vanuit de ontwikkeling van subjectivering en individualisering van godsdienst en de komst van uitheemse immigrantengodsdiensten is het interessant na te gaan of deze ontwikkelingen ook het juridische begrip van godsdienst hebben beïnvloed en of er een trend is waar te nemen. Als er een subjectiverende en individualiserende ontwikkeling is, zijn dan de criteria die in het recht worden gebruikt om vast te stellen of iets godsdienst(ig) is nog steeds hanteerbaar? Ten derde voor de verhouding tussen kerk en staat, of meer hedendaags tussen religie en staat. Met de toekenning van juridische betekenis aan godsdienst geeft de staat een bepaalde invulling aan het concept van neutraliteit. Dit thema is onderdeel van het eeuwenoude debat over de vraag wat de scheiding tussen de kerk en staat betekent. Hoe moet een overheid omgaan met claims van religieuze individuen en collectieven? In feite is het debat tussen ‘seculieren’ die de godsdienstvrijheid willen schrappen en degenen die dit grondrecht willen behouden hiervan een voortzetting. Ten vierde voor het ‘project’ van de multiculturele samenleving. De confrontatie van een rechtsorde die geïnspireerd is door een joods-christelijke traditie en het Grieks-Romeinse gedachtegoed met de islam als grote ‘exotische’ religie3 roept de nodige vragen op over de juridische betekenis van godsdienst. De vraag is of het rechtssysteem religieuze uitingen en gedragingen die voortvloeien uit de islamitische traditie erkenning geeft en wat de legitimatie voor deze erkenning is. Dit is relevant in het licht van de discussie tussen ‘rechtse’ en ‘linkse’ politici over de wijze waarop de islam in de Nederlandse rechtsorde moet worden geaccommodeerd.4