Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.2.1
9.2.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655801:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook reeds § 1.4.1.
Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 20.1; De Jong 2010, p. 253. Ook wijs ik in dit verband op de uitspraken Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2015-034 d.d. 27 oktober 2015, r.o. 4.4.3 en Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2017-036 d.d. 6 november 2017, r.o. 4.8.3, waarin de Commissie van Beroep zich uitlaat over de bewijswaarderingsmaatstaf bij het bewijs van het csqn-verband tussen de informatieverzuimen van de bank (bestaande uit ten onrechte gegeven adviezen) en de beleggingsbeslissing van de belegger respectievelijk het bewijs van het csqn-verband tussen het informatieverzuim van een (beleggings)verzekeraar en de door de belegger gestelde beleggingsschade c.q. het bewijs van het bestaan van deze beleggingsschade. Ook de Rechtbank Noord-Nederland acht de maatstaf van een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ van toepassing bij het bewijs van het csqn-verband tussen het informatieverzuim van een (beleggings)verzekeraar en de (beleggings)beslissing van de afnemer van een beleggingsverzekering zo’n verzekering aan te gaan, zie Rb. Noord-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10528 (Vereniging Woekerpolis.NL e.a./SRLEV N.V.), r.o. 4.112.
Aldus HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.3.
Zie over de bevoegdheid van de rechter om de schade te schatten reeds § 9.2.2, en de aldaar aangehaalde rechtspraak en literatuur.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.3.
Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv dient de belegger die in rechte schadevergoeding vordert, in beginsel het causaal verband (in de zin van het csqn-verband) te stellen en – bij betwisting – te bewijzen tussen de misleidende informatie en de door hem gestelde koersschade.1,2 Voor het bewijs van het csqn-verband geldt dat niet is vereist dat honderd procent zekerheid bestaat over de vraag of de gestelde koersschade door de misleiding is veroorzaakt.3 Algemeen is aanvaard dat een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ in dit verband voldoende is.4 Daarnaast is het volgens de hoofdregel van art. 150 Rv in beginsel ook aan de belegger om het bestaan en de omvang van de door hem geleden koersschade te stellen en – bij betwisting – te bewijzen.5 Wel is de rechter op grond van art. 6:97 BW bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.6
In deze paragraaf zal ik als opstapje naar de inhoudelijke analyse in het vervolg van het hoofdstuk een korte beschrijving geven van het bewijsrechtelijk kader voor de beide in de Inleiding genoemde feitelijke grondslagen. Dat zal ik in § 9.2.2 eerst doen voor de feitelijke grondslag waarbij de eisende beleggers zich op het standpunt stellen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs. Daarna zal ik in § 9.2.3 kort het bewijsrechtelijk kader schetsen voor de beleggers die stellen dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht. In § 9.2.4 ga ik vervolgens in op de vraag hoe de overweging uit het World Online-arrest dat ‘ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade (…) in beginsel de gewone bewijsregels (…) gelden’,7 in de context van misleidende beursberichten nu precies moet worden verstaan.