De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.2.2:14.2.2 Engeland
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.2.2
14.2.2 Engeland
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366536:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
"There should be a comprehensive review of the law on limitation periods with a view to its simplification and rationalisation.",1 zo staat te lezen aan het begin van de Consultation Paper van de Law Commission Geillustreerd aan de hand van een aantal sprekende casusposities schrijft hij vervolgens:
"The present law on limitation (...) lacks coherence. This reflects its development in an ad hoc way over a long period of time. The limitation period applicable to actions for personal injury will depend on whether that injury is inflicted deliberately or negligently. The traditional rule for actions in tort now applies to only a minority of tort actions because so many exceptions have been grafted on to it: actions for personal injuries, defamation, and consumer protection among others, are all governed by separate and different regimes. And deliberate concealment can stop a period running but cannot suspend it once it has started to run. Closely linked to the law' s `unevenness' is its needless complexity. At a general level, to have so many different regimes can present a trap for the unwary and renders the law largely unintelligible to lay people. More specifically the provisions on, for example, breach of trust and on the meaning of "knowledge" in personal injury and latent damage and under the Consumer Protection Act 1987 are very complicated. Simplification is both necessary and achievable."2
Van de door de Law Commission beschreven illustrerende casusposities is hier bijvoorbeeld te noemen de zaak waarin de vordering tegen de misbruikende oom al wel, maar de vordering tegen de niet-ingrijpende moeder nog niet verjaard was. De vordering tegen de oom viel onder trespass to the person. Voor die actie gold een verjaringstermijn van zes jaar na de 18e verjaardag van het slachtoffer. De vordering tegen de moeder viel onder the tort of negligence. Voor die actie gold een termijn van drie jaar na bekendheid met de disorder als gevolg van het misbruik. De Law Commission noemt meer van dit soort inconsistenties.
Net als de Duitse wetgever, ziet de Law Commission de oplossing in de introductie van een algemene verjaringsregeling, het zogenaamde core limitation regime. Dat voorziet in een subjectieve termijn van drie jaar. Over het toepassingsbereik van het core limitation regime merkt de Law Commission op:
"We recommend that the (...) core regime should apply without any qualification to the following actions:
tort claims (except for personal injury claims, and conversion claims);
contract claims (on both simple contracts and specialties);
restitutionary claims;
claims for breach of trust and related claims, including claims in respect of the personal estate of a deceased person;18
claims on a judgment or arbitration award; and
(6) claims on a statute." (...)
The core regime will be modified in its application to claims in respect of personal injuries."3
Op een aantal andere gebieden is het core limitation regime weliswaar ook van toepassing, maar met een aantal qualifications (in de betekenis van: aanpassingen):
"We also recommend that the core regime should extend, but with some qualifications, to the following claims:
claims under the Law Reform (Miscellaneous Provisions) Act 1934 and the Fatal Accidents Act 1976;
claims under the Consumer Protection Act 1987;
conversion;
claims by a subsequent owner of damaged property;
claims for a contribution or an indemnity;
claims in relation to mortgages and charges; and
claims under the Companies Act 1985 and insolvency proceedings."4
Langs deze weg hoopt de Law Commission zijn streven het verjaringsrecht te vereenvoudigen, te verwezenlijken. Net als gold voor de Duitse hervorming, is het niet mogelijk werkelijk inhoudelijk over die poging te oordelen. Maar ook hier leert de meer afstandelijke waarneming al wel iets. De Law Commissions' schets van de grillige historische groei van het verjaringsrecht, alsmede de door hem genoemde inconsistenties, wekken de indruk dat de toestand ook wel echt zorgelijk was. Allicht zal dus een weldoordachte structurele herziening van het verjaringsrecht een verbetering betekenen. Maar dat het nu met de complexiteit van het Engelse verjaringsrecht helemaal gedaan is, is misschien toch ook weer te optimistisch. Opnieuw zien wij dat de `hoofdverjaringsreger het niet zonder uitzonderingen kan stellen. De door de Law Commission voorgestelde Draft Limitation Bill telt maar liefst 25 dikbedrukte pagina's; een belangrijk deel daarvan ziet op uitzonderingen op en nuanceringen van de hoofdregel.