Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/5.3
5.3 Wijze van verkoop
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS623099:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Hudson 2009, p. 1227-1228.
Law Commission Report (204) 1991, p. 52. Voor woonruimte bepleit de Law Commission juist een rechterlijke toetsing vooraf.
De hierna gegeven opsomming is ontleend aan Cox & Lees 2014, p. 4.
Zie Clark e.a. 2014, p. 688, met verwijzing naar Palk v Mortgage Services Funding plc [1993] Ch 330, Re Potters Re Potters Oils Ltd [1986] 1 WLR 201 at 206; Warner v Jacob (1882) 20 Ch D 220 at 234; Farrar v Farrars Ltd (1888) 40 Ch D 395 at 398; Palmer v Barclays Bank Ltd (1971) 23 P&CR 30; Lake Apartments Ltd v Bootwala (1973) 37 DLR (3d) 523; Forsyth v Blundell (1973) 129 CLR 477 at 483, 494 en Law Commission Working Paper (99) 1986, par. 3.71.
Zie Clark e.a. 2014, p. 688. Den Norske bank SAS v Acemex Co Ltd [2003] EWCA Civ 1559, [2005] 1 BCLC 274; China and South Sea Bank Ltd v Tan Soon Gin [1990] 1 AC 536; Reliance Permanent Building Society v Harwood-Stamper [1944] Ch 362 at 372, [1944] 2 All ER 75 at 80, per Vaisey J; Cuckmere Brick Co v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949 at 965, 969; 644, 646; Re Potters Oils Ltd (No 2) [1986] 1 All ER 890, [1986] 1 WLR 201. Cf Standard Chartered Bank Ltd v Walker [1982] 1 WLR 1410 at 1415, Wood v Bank of Nova Scotia (1979) 10 RPR 156, affd (1980) 112 DLR (3d) 181; Suskind v Bank of Nova Scotia (1984) 10 DLR (4th) 101.
China and South Sea Bank Ltd v Tan Soon Gin [1990] 1 AC 536 en Silven Properties Ltd v Royal Bank of Scotland plc [2003] EWCA Civ 1409.
Zie Clark e.a. 2014, p. 689, voetnoot 6, met verwijzing naar Lloyds Bank plc v Bryant [1996] NPC 31.
Cuckmere Brick Co Ltd v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949 (zie over de bevoegdheid tot verbetering par. 3.5.2).
Zie Cuckmere Brick Co Ltd v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949, Downsview Nominees Ltd v First city Corp Ltd [1993] AC 295, Silven Properties Ltd v Royal Bank of Scotland plc [2003] EWCA Civ 1409 en Dixon 2006.
Zie ook Dixon 2006, nr. 279.
Clark e.a. 2014, p. 691 (exercise of informed judgment). Zie hierna par. 6.4.
Clark e.a. 2014, p. 697, met verwijzing naar Cuckmere Brick Co Ltd v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949, Stocks v Rigura Pty Ltd [2004] NSW CA 73 en Standard Chartered Bank Ltd v Walker [1982] 3 All ER 938.
Cuckmere Brick Co Ltd v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949, nr. 965.
Zie voor de genoemde voorbeelden Clark e.a. 2014, p. 696-699.
Clark e.a. 2014, p. 699, met verwijzing naar Meftah v Lloyds TSB Bank [2001] 2 All ER (Comm) 741; Predeth v Castle Phillips Finance Co Ltd [1986] 2 EGLR 144.
Clark e.a. 2014, p. 699, met verwijzing naar Silven Properties Ltd v Royal Bank of Scotland plc [2003] EWCA Civ 1409, Cuckmere Brick Co Ltd v Mutual Finance Ltd [1971] Ch 949, Reliance Permanent Building Society v Harwood-Stamper [1944] Ch 362. Zie ook McFarlane, Hopkins & Nield 2012, p. 1164.
Hypotheekgevers van woonruimte kunnen zelfs die verkoop niet afdwingen, zie Standard Chartered Bank v Walker [1982] 1 WLR 1410 en Cheltenham and Gloucester plc v Krausz [1997] 1 WLR 1558 (S 36 AJA; hypotheekgever hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld om zelf tegen een beweerdelijk hogere prijs te verkopen. Anders: Palk v Mortgage Services Fundingplc [1993] Ch 300 en Barrett v Halifax Building Society (1995) 28 HLR 634, waarin op grond van S 36 AJA de hypotheekhouder inbezitneming werd ontzegd en een gerechtelijk verkoopbevel werd gegeven. Deze arresten zijn stevig bekritiseerd in Dixon 1998.
Zie voor deze verplichting om te handelen in good faith par. 5.2.2.
Clark e.a. 2014, p. 701, met verwijzing naar onder meer Downes v Grazebrook (1817) 3 Mer 200, National Bank of Australasia v United Hand-in-Hand etc, Co (1879) 4 App Cas 391, PC; Farrar v Farrars Ltd (1888) 40 Ch D 395.
Clark e.a. 2014, p. 701, met verwijzingen naar onder meer Farrar v Farrars Ltd (1888) 40 Ch D 395, Martinson v Clowes (1882) 21 Ch D 857 en Hodson v Deans [1903] 2 Ch 647. De Law Commission pleit voor het toestaan van een verkoop aan zichzelf, als alternatief voor de foreclosure. Zie No 204 p. 56.
Clark e.a. 2014, p. 701, met verwijzing naar onder meer Newport Farm Ltd v Damesh Holdings Ltd [2003] UKPC 54, 147 SOI Jo LB 1117, Farrar v Farrars Ltd (1888) 40 Ch D 395.
Tse Kwong Lam v Wong Chit Sen [1983] 1 WLR 1349.
Clark e.a. 2014, p. 701.
Op grond van het hiervoor in par. 5.2 weergegeven art. 101 LPA 1925 heeft een hypotheekhouder een grote vrijheid om de verkoopprocedure naar eigen inzichten in te richten.1 Hij mag het onderpand als geheel verkopen, maar ook delen daarvan (zoals een winkel met bovenwoning); hij kan dit doen via een openbare veiling of via onderhandse verkoop én hij kan aan de verkoop voorwaarden verbinden die hem goed dunken. Partijen kunnen deze regeling bovendien ook nog contractueel aanpassen, zonder dat dit afdoet aan het executoriale karakter van de verkoop. Een gang naar de rechter is voor geen van deze manieren van verkoop nodig, wat als een van de grootste voordelen van de Engelse verkoopbevoegdheid wordt gezien.2
Ook uit de rechtspraak blijkt de ruime vrijheid van de hypotheekhouder bij verkoop van het onderpand.3 Voorop staat dat de hypotheekhouder bij de verkoop van het onderpand zijn eigen belang mag laten prevaleren boven dat van de hypotheekgever.4 De hypotheekhouder bepaalt daarom zelf of hij wil verkopen en het moment waarop hij dat wil.5 Hij mag hiermee ingaan tegen de wil van de hypotheekgever6 en zelfs tegen eventuele adviezen.7 Daarnaast mag hij zelf bepalen op welke wijze hij het onderpand wil verkopen en kan hij niet worden gehouden om in het onderpand te investeren om het zo tegen een hogere prijs te kunnen verkopen.8 Een en ander geldt voor zover in de overeenkomst tussen hypotheekhouder en hypotheekgever niet anders is afgesproken.
Deze grote discretionaire bevoegdheid van de hypotheekhouder wordt ingekaderd door in de equity-rechtspraak ontwikkelde zorgplichten (equitable duties).9 Deze zorgplichten beteugelen mogelijk opportunisme van de hypotheekhouder en beschermen de hypotheekgever en andere belanghebbenden bij een eventuele overwaarde, zoals junior-hypotheekhouders.10 Waar het op neer komt, is dat op de hypotheekhouder een inspanningsverplichting rust om bij een executieverkoop de hoogst haalbare verkoopprijs (best price) te realiseren. Deze ‘hoogste prijs’ zal normaliter gelijk zijn aan de marktwaarde van het te verkopen vastgoed op het moment van verkoop en kan door middel van taxatie voorafgaand aan de verkoop worden bepaald.
Waartoe een hypotheekhouder in een specifiek geval is verplicht, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het gaat erom dat de hypotheekhouder bij het inkleden van het verkooptraject weloverwogen beslissingen neemt die zijn gericht op het behalen van een maximale verkoopopbrengst.11 Zo zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld welke wijze van verkoop de hoogste opbrengst zal opleveren: veiling of onderhandse verkoop. Niettemin geldt als uitgangspunt dat de hypotheekhouder met een veiling in principe veilig is. Mits deze behoorlijk is gepubliceerd, het vastgoed deugdelijk wordt gepresenteerd én er redelijke veilingvoorwaarden worden gehanteerd, zal bij het veilen van vastgoed niet snel sprake zijn van een schending van de zorgplicht om de beste prijs te verkrijgen.12 Ook niet als de veiling slecht is bezocht en het uitgebrachte bod laag.13
Andere aspecten van de verkoop waarbij de hypotheekhouder deze zorgplicht jegens de hypotheekgever in acht moet nemen zijn bijvoorbeeld de voorbereiding van de verkoop, het opstellen van de verkoopvoorwaarden en het al dan niet inwinnen van advies bij de verkoop het moment van verkoop.14 Als een hogere opbrengst te realiseren is met een ontruimd pand, dan ligt het op de weg van de hypotheekhouder om daarnaar te streven. En het gebruik van onnodig bezwarende verkoopvoorwaarden moet worden vermeden. Ook geldt de zorgplicht voor het realiseren van de hoogste prijs bij de snelheid waarmee de hypotheekhouder tot verkoop overgaat. Hieruit volgt bijvoorbeeld dat een hypotheekhouder niet overhaast mag overgaan tot het (onderhands) verkopen van vastgoed tegen een dumpprijs, terwijl te verwachten is dat hij bij een ‘normale’ verkoop een hogere prijs zou ontvangen.15 Belangrijk is evenwel dat deze zorgplicht nadrukkelijk niet impliceert dat een hypotheekhouder zou moeten wachten met verkoop totdat de markt aantrekt en om die reden een betere prijs kan worden verkregen.16 Het is in die gevallen aan de hypotheekhouder om te beslissen wanneer hij zijn bevoegdheid – in zijn eigen belang – wil uitoefenen.17
Tot slot moet de executoriale verkoop, ongeacht de wijze waarop het traject is vormgegeven, een ‘echte verkoop’ zijn.18 Een concreet verbod dat hieruit volgt is dat de hypotheekhouder het onderpand niet aan zichzelf mag verkopen, tenzij de verkoop via de rechtbank loopt en hij toestemming heeft om een bod uit te brengen.19
‘For a sale by a person to himself is no sale at all, and a power of sale does not authorise the donee of the power to take the property subject to it at a price fixed by himself, even though such price be the full value.’20
Deze regel zal hypotheekhouders in de praktijk niet vaak in de weg zitten. Het is namelijk wel toegestaan om onderpand te verkopen aan een gelieerde vennootschap.21 De hypotheekhouder moet er in zo’n geval wel rekening mee houden dat op hem de bewijslast rust dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplichten (van te goeder trouw handelen en het behalen van de beste prijs, zie hierna).22 Om aansprakelijkheid op dit punt te vermijden, verloopt een executoriale verkoop aan een aan de hypotheekhouder gelieerde partij meestal via de rechtbank.23