Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.3.2.3
V.3.2.3 De leidinggevende als deelnemer aan een milieudelict
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460166:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.1.
Uiteindelijk is bepalend of de bijdrage van ‘voldoende gewicht’ is. Zie hieromtrent de handvatten van de Hoge Raad in HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.2.
Ook bij medeplichtigheid is opzet op zowel de deelnemingshandeling als op het grondfeit vereist, maar toch is er qua opzet minder nodig dan bij medeplegen. De medeplichtige hoeft ‘slechts’ behulpzaam te willen zijn bij het begaan van het strafbare feit. De Hullu 2018, p. 503.
Bepaalde vormen van passieve betrokkenheid kunnen ook al voldoende zijn voor feitelijk leidinggeven of functioneel plegen. Zie hieromtrent par. II.5.4.4 en par. II.3.4.5.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375, m.nt. Wolswijk (Overzichtsarrest feitelijk leidinggeven), r.o. 3.5.1.
HR 16 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9607, NJ 1987/321 en 322, m.nt. ’t Hart (Slavenburg II). Zie voor nadere toelichting op deze vereisten par. II.5.4.4.
Par. III.8.4.2.
Zie par. II.3, II.5.4 en II.6.3.1. Zie in bestuursrechtelijke context Hornman & Bleeker 2019, par. III en V. Zie voorts Hornman 2016a, p. 77-78; De Valk 2009, p. 502.
Zie par. II.5.4.4 onder 4) Bewuste aanvaarding voor meer informatie over het opzetvereiste van feitelijk leidinggeven.
Bestuursrechtelijke milieuvoorschriften bevatten zelden een subjectief bestanddeel. Daarom is feitelijk leidinggeven in het milieubestuursrecht (en bij de overtredingsvariant van economische milieudelicten) lastiger te bewijzen dan functioneel plegen.
Strafrechtelijk deelnemen
Wanneer een leidinggevende niet zelf alle bestanddelen van het milieudelict vervult, maar wel heeft deelgenomen aan het begaan van het delict op een wijze die bij wet verboden is gesteld, zal hij toch nog kunnen worden aangemerkt als dader. Een deelnemer hoeft niet zelf normadressaat te zijn van het geschonden milieuvoorschrift (zolang degene met wie hij het milieudelict begaat dat maar is). Het strafrecht kent verschillende vormen van deelneming. In het strafrechtelijke hoofdstuk ben ik ingegaan op twee deelnemingsvormen: medeplegen en feitelijk leidinggeven. Bij de bespreking van medeplegen kwam de medeplichtigheid van de leidinggevende aan een bedrijfsmatig milieudelict ook zijdelings aan bod. Hierna breng ik kort in herinnering welke vereisten gelden voor deze deelnemingsvormen.
Medeplegen en medeplichtigheid
Volgens vaste strafrechtelijke jurisprudentie moet voor medeplegen (artikel 47 lid 1 Sr) sprake zijn van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen twee of meer (rechts) personen gericht op het tot stand komen van het concrete ten laste gelegde feit.1 Voor het medeplegen van een milieudelict is niet vereist dat de leidinggevende uitvoeringshandelingen verricht: een grotere intellectuele bijdrage aan het medeplegen kan een kleine of ontbrekende materiële bijdrage aan het delict compenseren.2 Voor medeplegen van een milieumisdrijf is zowel opzet vereist op de deelnemingshandeling (de samenwerking met de ander) als op het grondfeit (het milieudelict).
Wanneer de bijdrage van de leidinggevende aan het milieudelict van onvoldoende gewicht is, of als het opzet te licht is,3 dan kan mogelijk nog worden teruggevallen op de medeplichtigheid (art. 48 Sr). Voor deze deelnemingsvorm hoeft ‘slechts’ te worden bewezen dat de leidinggevende opzettelijk het milieumisdrijf heeft willen vergemakkelijken. Soms kan passieve betrokkenheid bij de totstandkoming van een milieudelict al voldoende zijn voor medeplichtigheid.4
Feitelijk leidinggeven
Artikel 51 lid 2 Sr bepaalt dat wanneer een rechtspersoon een strafbaar feit begaat, ook tegen degene die aan de verboden gedraging ‘feitelijk leiding’ heeft gegeven strafvervolging kan worden ingesteld. De deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven kent verschillende gradaties.5 Ten eerste kan iemand die binnen de rechtspersoon actief en effectief heeft gestuurd op de verboden gedraging worden aangemerkt als feitelijk leidinggever. Dit is de ideaaltypische situatie. Onder omstandigheden kan iemand ook worden aangesproken als feitelijk leidinggever, wanneer diegene op een meer indirecte of subtiele wijze betrokken is geweest bij de verboden gedraging. De welbekende Slavenburg-toets vormt de ondergrens voor ‘passief feitelijk leidinggeven’. Volgens deze toets is er sprake van feitelijk leidinggeven indien de verdachte, hoewel daartoe 1) bevoegd en 2) redelijkerwijs gehouden, 3) maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat, en 4) bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze zich zullen voordoen.6 In het milieustrafrecht is feitelijk leidinggeven een veelgebruikte daderschapsvorm voor de aansprakelijkheid van natuurlijke personen binnen een onderneming. Hierna ga ik in par. V.3.5.4 in op de geschiktheid van deze deelnemingsvorm als grondslag voor het daderschap van een leidinggevende in milieukwesties.
Onderscheid tussen feitelijk leidinggeven en functioneel plegen
Feitelijk leidinggeven en functioneel plegen worden vaak met elkaar verward. In het bestuursrechtelijke7 en het strafrechtelijke hoofdstuk8 ga ik uitvoerig in op de verschillen tussen deze twee aansprakelijkheidsfiguren, maar omdat het zo’n belangrijk onderscheid is zet ik hieronder de belangrijkste verschillen op een rij.
Feitelijk leidinggeven is geen vorm van plegen, maar van deelnemen. Dat betekent dat de feitelijk leidinggever niet – zoals de functionele pleger – zelf alle bestanddelen van het delict vervult, maar dat hij op verboden wijze betrokken is geweest bij het begaan van het delict. Dogmatisch gezien begaat de rechtspersoon het gronddelict, en treft de feitelijk leidinggever een ander, zelfstandig verwijt: namelijk dat hij (voorwaardelijk) opzettelijk niet heeft ingegrepen bij een verboden gedraging binnen de rechtspersoon terwijl dit wel op zijn weg lag, of zelfs dat hij actief en effectief heeft aangestuurd op de verboden gedraging.
Zoals blijkt uit de bespreking hierboven, gelden voor feitelijk leidinggeven andere vereisten dan voor functioneel plegen. In sommige opzichten zijn de vereisten minder streng. Voor feitelijk leidinggeven is bijvoorbeeld, net als bij andere deelnemingsvormen, niet vereist dat het geschonden voorschrift is gericht tot de aangesprokene. Daarnaast is voor het aanvaardingvereiste uit de Slavenburg-toets voldoende dat het opzet van de feitelijk leidinggever is gericht op de verboden gedraging of op vergelijkbare gedragingen. Het opzetvereiste heeft dus een globalere strekking, en daarom kan het voor bepaalde doleuze delicten eenvoudiger zijn om opzet te bewijzen in het kader van feitelijk leidinggeven dan van functioneel plegen.9
In andere opzichten zijn de vereisten voor feitelijk leidinggeven juist strenger dan voor functioneel plegen. Bij de Slavenburg-toets zit namelijk een zelfstandig (zij het globaal) opzetvereiste ingebakken. Daarentegen is voor de toerekening van een verboden gedraging aan de functionele pleger geen opzet vereist; de schending van een zorgplicht voldoet. Door het ingebakken opzetvereiste bij feitelijk leidinggeven kunnen daarom bij niet-doleuze delicten10 per saldo hogere strengere subjectieve eisen gelden dan bij functioneel plegen het geval is. Daarnaast geldt voor feitelijk leidinggeven het accessoriteitsvereiste: aangetoond moet worden dat de betrokken rechtspersoon het delict heeft begaan. Op dit vereiste kan de aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggever stranden, terwijl voor de aansprakelijkheid van de functionele pleger het daderschap van de rechtspersoon in het midden kan blijven.
Kortom, functioneel plegen en feitelijk leidinggeven zijn aansprakelijkheidsfiguren met verschillende achtergronden en verschillende vereisten.