Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.3.1.1
5.3.1.1 De relativiteit als centraal mechanisme voor normvoortzetting
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657569:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 2004,ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. Jac. Hijma (Duwbak Linda), r.o. 3.4.1.
Zie bijv. Den Hollander 2016, p. 67-71; Lindenbergh 2007, p. 9-14.
Zie bijv. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/129; Jansen, in GS Onrechtmatige daad, par. 1.1.4; Di Bella 2014, p. 126-134; J.B.M. Vranken, annotatie bij HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576 (Iraanse Vluchteling), par. 7.
HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4748, NJ 1984/536, m.nt. Van der Grinten (Bedrijfsvereniging/Van den Akker).
Ibid.
HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7320, NJ 2010/67, m.nt. M.R. Mok (Nabbe/Staalbankiers).
Art. 28 lid 2 t/m 4 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999.
Ibid. r.o. 3.1.
Ibid. r.o. 3.2.
Het vereiste van relativiteit komt erop neer dat een schadevergoedingsvordering alleen kan slagen voor zover de geschonden norm deze eiser beschermde tegen deze schade, geleden op deze wijze.1 De gedachte die daarachter zit, is dat een normatief verband gevonden moet worden tussen de schade van de eiser en het gedrag van de gedaagde, en dat een enkel csqn-verband daartoe onvoldoende is.2 Dat zou men kunnen zoeken in het algemene streven om aansprakelijkheid in te dammen,3 maar de vraag is wat we daaraan hebben. Natuurlijk heeft het leerstuk wel een indammend effect, maar als ratio van het leerstuk brengt het ons weinig verder. Het probleem van die benadering is namelijk dat er geen enkele sturende werking vanuit gaat. In deze benadering heeft men kennelijk al besloten wanneer aansprakelijkheid ‘te ver’ gaat en is het relativiteitsvereiste alleen maar een toverspreuk die de rechter toestaat zijn reeds bereikte conclusie rechtvaardigen. Daarmee wordt er niet uitgehaald wat erin zit: het vereiste heeft meer te bieden dan dat.
De veroordeling tot vergoeding van schade is een uitzondering op het beginsel dat ieder zijn eigen schade draagt. Voor het aannemen van zo’n uitzondering is wel een goede reden nodig. In eenvoudige gevallen volstaat dat een norm toerekenbaar is geschonden en dat dit tot schade heeft geleid. Als ik uw auto in brand steek en hij volledig afbrandt, ben ik verplicht de waarde van de auto aan u te vergoeden. Naarmate de casus complexer worden volstaat deze redenering echter niet meer. Een normschending kan immers condicio sine qua non zijn voor heel veel omstandigheden, zonder dat het gepast zou zijn daar juridische verantwoordelijkheid voor de normschender aan te verbinden. De relativiteitsgedachte is een van de leerstukken die kan helpen bij het afbakenen van de grenzen van verantwoordelijkheid, doordat ze de rechter dwingt nadrukkelijk te onderzoeken wat precies de strekking van de norm was om zo te bepalen welke verantwoordelijkheid gepaard gaat met schending daarvan. Twee voorbeelden kunnen dat verduidelijken.
Een eerste voorbeeld is het arrest Bedrijfsvereniging/Van den Akker.4 In dat geval ging het om een bestuurder van een busje die onzorgvuldig reed en zo een aanrijding veroorzaakte. Buiten zijn weten om was er iemand in de laadruimte gekropen. Door de aanrijding leed ook deze ‘passagier’ schade. De Hoge Raad oordeelde dat de zorgplicht van de chauffeur niet strekte tot bescherming van de belangen van de verstekeling, omdat de chauffeur niet op diens aanwezigheid bedacht hoefde te zijn. Waar de ‘gewone’ passagiers er aanspraak op konden maken dat de chauffeur voor hun veiligheid zou waken, gold dat niet voor de verstekeling.5 Dat strookt met een redelijke verdeling van verantwoordelijkheden, want anders zou de verstekeling de zorg voor zijn veiligheid zomaar aan de chauffeur kunnen opdringen zonder dat die ergens van op de hoogte was. Op deze manier brengt de Hoge Raad de remedie strak in lijn met de onderliggende norm. Hij hanteert hier, met andere woorden, niet zomaar een correctiemechanisme achteraf; hij zegt iets heel fundamenteels over hoe ver de zorg van de één voor de ander reikt.
Een iets complexer voorbeeld is het arrest Nabbe/Staalbankiers.6 Nabbe belegde zijn privé-vermogen bij Staalbankiers. Toen hij op een gegeven moment grootschalige verliezen leed, sprak hij Staalbankiers aan tot schadevergoeding omdat Staalbankiers de op haar rustende saldi- en marginbewakingsplicht7 zou hebben geschonden door transacties uit te voeren terwijl er margin- en dekkingstekorten bestonden.8 Hof en Hoge Raad oordeelden dat het doel van die bewakingsplicht niet was om te voorkomen dat de belegger schade lijdt die hij niet wil of kan dragen. De plicht strekt ertoe te beschermen tegen het onverwacht moeten bijstorten als gevolg van de schending van die bewakingsplicht, niet tegen verliezen in het algemeen.9 Dat was hier nooit gebeurd en dus moest de vordering van Nabbe worden afgewezen. Dat oordeel past goed bij de aard van de verhouding tussen Nabbe en zijn bank. Wie belegt, kan zijn geld kwijtraken. Natuurlijk heeft een bank wel een bijzondere zorgplicht jegens haar klanten – zij weten immers vaak veel minder van de gevaren van financiële transacties dan een bank – maar dat betekent nog niet dat de bankrelatie direct alle risico’s op de bank doet overgaan. De cruciale vraag is steeds welke verantwoordelijkheid er bij een concrete normschending past. En in dit geval gaf de norm geen aanleiding te oordelen dat de risico’s voor de rekening van bank kwamen.