Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/5.2.2.2
5.2.2.2 Toekomstig recht: personenvennootschappen
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180283:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wel is een beperkt aantal artikelen aangepast aan de hand van het ontwerp voor de nieuwe Titel 7.13. Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-II 2017/4.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-II 2017/4a.
Kamerstukken 28 746, Eerste Kamer, vergaderjaar 2011-2012, nr. D. (Brief van de minister van Veiligheid en Justitie).
Signalering – Werkgroep presenteert regeling personenvennootschap, TOP 2016/ 499 en M. van Olffen (vz), Rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen, Modernisering Personenvennootschappen, Amsterdam, september 2016.
Artikel 803 lid 1 ambtelijk voorontwerp.
Ambtelijk voorontwerp memorie van toelichting, p. 55.
Zie H. Beckman, ‘Administratie en winst en verlies bij de personenvennootschap’, Ondernemingsrecht 2003-4, p. 108-111, die in het kader van de in 2002 voorgestelde Titel 13 Boek 7 BW suggereerde artikel 2:10 BW van overeenkomstige toepassing te doen zijn.
Zie paragraaf 4.2.4.
M. van Olffen (vz), Rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen, Modernisering Personenvennootschappen, Amsterdam, september 2016.
Ook in het voorstel van wet tot Vaststelling van Titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek was geen met artikel 2:10 lid 2 BW vergelijkbare bepaling opgenomen (Kamerstukken 28 746, vergaderjaar 2002-2003, nr. 1-2 (Koninklijke Boodschap – Voorstel van Wet)).
Artikel 2:101 BW en 2:210 BW.
Artikel 2:49 BW, artikel 2:58 BW en artikel 2:300 BW.
H. Beckman, ‘Administratie van winst en verlies bij de personenvennootschap’, Ondernemingsrecht 2003-4, p. 108.
Gezien de onduidelijkheid over het contractuele samenwerkingsverband, is er alle reden om te komen tot een aanpassing en modernisering van de wettelijke bepalingen met betrekking tot contractuele samenwerkingsverbanden.
Twee pogingen voor de algehele wijziging van de wettelijke regeling van de personenvennootschappen zijn ondernomen maar gestrand. In 1972 is een ontwerp voor een nieuwe Titel 13 van Boek 7 verschenen van de hand van W.C.L. van der Grinten. Het is niet gelukt om deze Titel tegelijk met de Boeken 3, 5 en 6 BW in werking te laten treden per 1 januari 1992.1 De tweede poging startte met het indienen van een nieuw ontwerp wetsvoorstel voor de vaststelling van Titel 7.13 BW op 24 december 2002. Het ontwerp was gebaseerd op het werk van Van der Grinten.2 In het zicht van de haven, namelijk tijdens de behandeling in de Eerste Kamer, heeft de minister van Veiligheid en Justitie het wetsvoorstel bij brief van 15 december 2011 ingetrokken wegens onvoldoende steun voor de nieuwe regeling van de beoogde gebruikers, met name de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf.3
Na het intrekken van het ontwerp uit 2002 is in 2012 een werkgroep gestart met een derde poging om de wettelijke regeling voor de personenvennootschappen te moderniseren.4 Op 26 september 2016 heeft de werkgroep personenvennootschappen een voorstel voor een nieuwe wet en bijbehorende memorie van toelichting aangeboden aan de minister van Veiligheid en Justitie.5
Op basis van dit ontwerp is op 21 februari 2019 een ambtelijk voorontwerp voorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, door toevoeging van een nieuwe Titel 13 aan Boek 7, in consultatie gegaan.6
In het ambtelijk voorontwerp krijgt de personenvennootschap rechtspersoonlijkheid en worden van Boek 2 BW alleen de artikelen 2:4 lid 2 BW en 2:5 BW van toepassing verklaard.7 Over de toepasselijkheid van artikel 3:15i BW wordt in het ambtelijk voorontwerp van de wet niets vermeld. In het ambtelijk voorontwerp van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat in artikel 806 met een kleine aanvulling de regels uit onder meer de artikelen 3:15i BW en 2:10 leden 2 tot en met 4 BW zijn opgenomen.8 Zonder andersluidende bepaling is artikel 3:15i BW van toepassing op de personenvennootschap, wanneer die personenvennootschap een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent in Nederland. Evenals er onduidelijkheid bestaat over de verhouding tussen artikel 3:15i BW en 2:10 BW, zal dit ook het geval zijn ten aanzien van de verhouding tussen de beoogde nieuwe Titel 7.13 voor de personenvennootschap en artikel 3:15i BW. Het zou dan ook het eenvoudigst zijn om in artikel 806 te bepalen dat artikel 3:15i BW van (overeenkomstige) toepassing is op de personenvennootschap of dat dat artikel niet van toepassing is omdat de daarmee corresponderende verplichtingen voor de personenvennootschap en de vennoten in artikel 806 zijn neergelegd.9
De administratieplicht is in artikel 806 lid 4 van het ambtelijk voorontwerp vormgegeven als een op de vennoten rustende verplichting. Ook hier zou dezelfde onduidelijkheid kunnen ontstaan als bij de administratieplicht voor rechtspersonen, namelijk of de administratieplicht rust op de personenvennootschap of op de vennoten. Of in de variant van Tjong Tjin Tai dat artikel 3:15i BW rust op de personenvennootschap en artikel 806 op de vennoten.10Ik zou menen dat artikel 3:15i BW en de beoogde administratieplicht voor personenvennootschappen in artikel 806 beide van toepassing zijn op de personenvennootschap (voor zover de personenvennootschap een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent in Nederland) en dat de toevoeging dat de verplichting rust op de vennoten in dat artikel overbodig is, althans geen andere functie heeft dan aan te duiden dat in de interne verhoudingen binnen de personenvennootschap deze verplichting rust op de vennoten.
De in lid 4 van artikel 806 neergelegde verplichting een administratie te voeren van de vermogenstoestand van de vennootschap en van alles betreffende het bedrijf of beroep van de vennootschap, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, is vergelijkbaar met die van artikel 3:15i lid 1 en 2:10 lid 1 BW.11 Ook de leden 3 en 4 van artikel 2:10 BW worden overgenomen in het beoogde artikel 806 van Titel 7.13 BW maar deels anders dan in artikel 2:10 BW. De bewaartermijn van artikel 2:10 lid 3 BW is geïntegreerd in artikel 806 lid 4, dat verder vergelijkbaar is met artikel 2:10 lid 1 BW.Artikel 806 lid 5 is gelijk aan artikel 2:10 lid 4 BW.
Lid 2 van artikel 2:10 BW wordt niet overgenomen in het voorstel voor het nieuwe artikel 806 van Titel 7.13 BW.12 Wel verplicht artikel 806 lid 2 de vennoten om jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, met de mogelijkheid van verlenging met vier maanden, een balans en een staat van baten en lasten van de vennootschap op te maken en op papier te stellen. Deze verplichting lijkt taalkundig op die van artikel 2:10 lid 2 BW maar miskent dat er een groot verschil bestaat tussen het maken en het opmaken van een balans en staat van baten en lasten. Het eerste is een fysieke handeling, die maakt dat in elk geval eenmaal per jaar de balans en staat van baten en lasten gemaakt moet worden. Het opmaken van een balans en staat van baten en lasten verwijst naar een besluit, een rechtshandeling van de vennoten. Bij de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap bestaat naast de verplichting om eenmaal per jaar de balans en staat van baten en lasten te maken en op papier te stellen dan ook de verplichting om jaarlijks een jaarrekening op te maken.13 Het lijkt erop dat met het beoogde artikel 806 lid 2 beide verplichtingen zijn gecombineerd.
Daar komt bij, dat door het in artikel 806 lid 2 opnemen van termijnen waarbinnen aan de beoogde verplichting moet worden voldaan, bij ongewijzigde invoering zou resulteren in tegenstrijdige termijnen. In artikel 3:15i lid 2 BW wordt artikel 2:10 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat voor een personenvennootschap geldt dat binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten gemaakt en op papier gesteld moet worden. Het beoogde artikel 806 lid 2 neemt voor de administratieplicht de thans voor de artikel 2:49-vereniging, coöperatie en de artikel 2:300-stichting geldende termijnen voor het opmaken van een jaarrekening over, inclusief de mogelijkheid van verlenging van deze termijn.14 Deze mogelijkheid biedt artikel 2:10 lid 2 BW niet en creëert een ongewenst onderscheid tussen de contractuele vennootschap en de rechtspersoon op het gebied van de administratieplicht.
Het voorgestelde artikel 806 leidt tot onduidelijkheid en tegenstrijdigheid met het via artikel 3:15i BW ook van toepassing zijnde artikel 2:10 BW. Voor de toepasselijkheid van de administratieplicht op personenvennootschappen zou het het meest eenvoudig zijn wanneer qua terminologie exact wordt aangesloten bij artikel 3:15i BW en artikel 2:10 leden 2 tot en met 4 BW. In dat geval wordt iedere onduidelijkheid en mogelijke tegenstrijdigheid bij het toepassen van de civielrechtelijke administratieplicht op de personenvennootschap voorkomen.15