De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.3:4.3.4.3 Wie is het bevoegd gezag en wat kwalificeert als ‘zwaarwegend afwijken’?
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.3
4.3.4.3 Wie is het bevoegd gezag en wat kwalificeert als ‘zwaarwegend afwijken’?
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702043:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de analyse komt naar voren dat de colleges van B en W in veruit de meeste gevallen het bevoegd gezag zijn om op de planschadeaanvraag te beslissen. Dat strookt met de hoofdregel van art. 6.1 lid 1 Wro. Voor de zeldzame gevallen waarin het college van Gedeputeerde Staten of de minister bevoegd waren (art. 6.6 Wro), was er geen verschil waarneembaar in de mate waarin het planschadeadvies werd gevolgd.
Gelijk aan de jurisprudentieanalyse van het onteigeningsrecht, heb ik onder ‘zwaarwegende afwijkingen’ verstaan gevallen waarin het bevoegd gezag vanwege juridische overwegingen tot een ander oordeel komt. Onder ‘kleine afwijkingen’ heb ik verstaan gevallen waarin het bevoegd gezag, anders dan de adviseur, bijvoorbeeld besluit tot compensatie in natura of tot net een andere aftrek wegens normaal maatschappelijk risico.