Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.4
4.3.4.4 De analyse nader beschouwd
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702081:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: Rb. Limburg 10 juli 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:5048.
Ter illustratie: Rb. Den Haag 10 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6932.
Ter illustratie: Rb. Den Haag 28 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7910.
Ter illustratie: Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6908.
Ter illustratie: Rb. Gelderland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3314.
Ter illustratie: Rb. Noord-Nederland 30 augustus 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3775.
Bijvoorbeeld: Rb. Limburg 8 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2196; Rb. Midden-Nederland 12 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2641; Rb. Noord-Nederland 25 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2457; Rb. Limburg 6 februari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:1073; Rb. Den Haag 8 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1118; Rb. Oost-Brabant 20 augustus 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:4855.
Dat het aanwenden van de bezwaar- en beroepsmogelijkheden door de initiatiefnemer niet bij voorbaat kansloos is, bewijst een uitspraak van de rechtbank Limburg. Het bevoegd gezag week daar naar aanleiding van het beroepschrift alsnog af van het onafhankelijk planschadeadvies. Zie: Rb. Limburg 26 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5953.
Rb. Midden-Nederland 31 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5144, r.o. 10; Rb. Midden-Nederland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2055, r.o. 9.
ABRvS van 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3393, Gst. 2013/78 (Loppersum).
Rb. Limburg 8 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2196, r.o. 6.2; Rb. Noord-Nederland 25 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2457, r.o. 6.2.3; Rb. Rotterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7930, r.o. 5.2; Rb. Midden-Nederland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2055, r.o. 8; Rb. Midden-Nederland 31 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5144, r.o. 12.
De wettelijke ‘kapstok’ daarvoor is de vergewisplicht ex art. 3:9 Awb. Zie: Rb. Limburg 8 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2196; Rb. Midden-Nederland 12 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2641; Rb. Noord-Nederland 25 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2457; Rb. Midden-Nederland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2055; Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3180; Rb. Limburg 26 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5953. In uitzonderlijke gevallen is zelfs een third opinion gelast om de ‘battle of the experts’ te beslechten (Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3180).
Rb. Midden-Nederland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2055; Rb. Midden-Nederland 5 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3180.
Rb. Limburg 8 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2196; Rb. Noord-Nederland 25 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2457.
Met name waar het afwijkingen op juridische gronden betreft, kan het bevoegd gezag zelfstandig voldoen aan de motiveringseis. Zie: Rb. Rotterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7930.
Nog eens nadrukkelijk: Rb. Noord-Nederland 25 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2457.
In veruit de meeste gevallen wordt het planschadeadvies dus integraal overgenomen (figuur 3). In de rechtbankuitspraak worden daar meestal slechts weinig woorden aan gewijd. In een korte terugblik op het verloop van de besluitvormingsprocedure, komt de rol van het onafhankelijk planschadeadvies aan de orde. Meestal is slechts te lezen dat ‘verweerder conform het planschadeadvies heeft besloten een vergoeding toe te kennen’1 of dat ‘verweerder het advies heeft overgenomen’.2 Veelvoorkomende varianten zijn dat ‘verweerder het advies aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd’3 en dat ‘verweerder de aanvraag onder verwijzing naar en met overneming van het advies heeft toe- of afgewezen’.4 Onder ‘integraal overnemen’ heb ik ook geschaard de gevallen waarin het planschadeadvies – bijvoorbeeld naar aanleiding van het bezwaar van de aanvrager5 of het advies van de bezwaarschriftencommissie6 – is gewijzigd, en vervolgens opnieuw aan het (bestreden) besluit ten grondslag is gelegd.
Het valt op dat in de zeldzame gevallen waarin het bevoegd gezag het advies niet (integraal) overnam, de geadviseerde tegemoetkoming vaak hoog was.7 In het spiegelbeeldige geval, waarin het advies strekte tot een afwijzing van de aanvraag, kwam echter geen enkele afwijking voor. Dat is verklaarbaar vanuit de gedachte dat vergoedingen wegens planschade de publieke lasten verhogen, terwijl het bestuur die lasten nu juist probeert te drukken. In de praktijk heeft het bevoegd gezag, mede daarom, dikwijls een planschade(afwentelings)overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer ten gunste van wie de planologische medewerking wordt verleend. Een dergelijke initiatiefnemer is belanghebbende bij het planschadebesluit (art. 6.4a lid 2 Wro). In de praktijk maken initiatiefnemers regelmatig gebruik van hun bezwaar- en beroepsmogelijkheden.8
Door de bank genomen is het de aanvrager er daarentegen om te doen een zo hoog mogelijke planschadevergoeding te krijgen. Het strookt natuurlijk niet met die wens dat het bevoegd gezag afwijkt van een vanuit het perspectief van de aanvrager gunstig planschadeadvies. Regelmatig brengt een aanvrager daarom in beroep de stelling naar voren dat het bevoegd gezag niet van het onafhankelijk planschadeadvies mag afwijken.9 Er is echter geen rechtsregel aan te wijzen die het bevoegd gezag verbiedt af te wijken van een planschadeadvies. Wel oordeelt de rechtbank steevast – onder verwijzing naar vaste Afdelingsjurisprudentie10 en in lijn met art. 3:50 Awb – dat afwijkingen deugdelijk gemotiveerd moeten worden.11 Dikwijls tracht het bevoegd gezag dat te doen met een second opinion van een andere (onafhankelijke) planschadeadviseur.12 Soms lukt dat en volstaat een verwijzing naar dat tweede advies om te voldoen aan de motiveringseis.13 Een second opinion is echter geen wondermiddel; de rechtbank zal – wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven – het tweede advies naar dezelfde inhoudelijke maatstaven beoordelen als het primaire advies en onderzoeken of daarin voldoende grond aanwezig is om af te wijken van het primaire advies. Niet zelden komt de rechtbank tot de conclusie dat de second opinion onvoldoende aanknopingspunten biedt om af te wijken van het primaire advies.14 Dat het bevoegd gezag vaak een second opinion inwint, betekent echter niet dat het zonder second opinion onmogelijk is om te voldoen aan de motiveringseis ex art. 3:50 Awb.15 Als gezegd, staat of valt alles met de deugdelijkheid van de motivering. Het enkele afwijken omdat de hoogte van het geadviseerde schadebedrag het bevoegd gezag niet bevalt, zal dus bij de rechter geen standhouden.16