Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.2.2
10.2.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590688:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie recentelijk, HR 11 februari 2011, NJ 2011, 77. Zie ook art. 17lid1 van Richtlijn 2008/48/EG van 23 april2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG, dat bepaalt: 'Indien de rechten die de kredietgever op grond van de kredietovereenkomst heeft [ ... ] aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de nieuwe houder de excepties en de verweermiddelen opwerpen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ter beschikking stonden, met inbegrip van schuldvergelijking [= verrekening], mits deze in de betrokken lidstaat is toegestaan.' Vergelijk voorts overweging 41 voorafgaand aan deze richtlijn.
Zie ook hiervoor nr. 17.
Vgl. de regel van Ulpianus (D. 50, 17, 54): nemo plus iuris ad alium transferre potest,quam ipse haberet (of habet). Meer algemeen, de rechtsverkrijger kan niet meer verkrijgen dan zijn rechtsvoorganger had.
Zie hiervóór nr. 15. Vgl. Hondius 1976, p. 1064.
Zie HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302-304, m.nt. PS (p. 304); T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 537; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276, en vgl. nr. 268 en 273; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 1; Wiarda 1937, p. 253.
Zo is op voorhand bijvoorbeeld niet te zeggen of het voor de schuldenaar een verbetering of verslechtering zou zijn als hij zich na overgang niet op een arbitragebeding kan beroepen. V gl. o.a. Hondius 1976, p. 1064. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 1, met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.
Vgl. voor overgang van vorderingen door verkrijgende verjaring, T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 425; voor de overgang van vorderingen ex art. 6:251 BW, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 933; en voor de overgang van vorderingen ex art. 7:420 BW, M.v.T., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 355-356.
Dergelijke vorderingen vallen buiten de reikwijdte van deze studie. Zie hiervóór nr.8.
Ten dele, want tegen subrogatie is het partijbeding bijvoorbeeld niet bestand.
Zie hiervóór nr. 232. Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.6; Van Achterberg 1999, nr. 17 en 10; Wibier 2009a, nr. 25.
Zie bijvoorbeeld art. 6:130 lid 1 BW.
Anders: Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276: 'Afgezien van het feit dat hij in de persoon van de cessionaris te maken krijgt met een andere schuldeiser, geldt daarom als uitgangspunt dat de overgang van de vordering overigens rechtens geen gevolgen voor de positie van de schuldenaar moet hebben.'
Zie hiema nr. 596 (verrekening) en nr. 601-602 (eis in reconventie). Vgl. ten aanzien van verrekening, Losbladige Verbintenissenrecht2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.3; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 29.
Zie hiema nr. 625.
554. Bij de overgang van een vordering geldt ais uitgangspunt dat, afgezien van het gegeven dat de schuldenaar met een andere schuldeiser te maken krijgt, door de overgang van de vordering geen verandering (verslechtering noch verbetering) optreedt in de rechtspositie van de schuldenaar.1 Dat geldt voor zover deze rechtspositie betrekking heeft op alleen de vordering. Spelen ook andere factoren een rol, en wordt de rechtspositie van de schuldenaar in een breder perspectief geplaatst, dan kan in zijn rechtspositie door de overgang wel degelijk verandering optreden.
Door de overgang van de vordering blijven de bevoegdheden en de verweermiddelen van de schuldenaar ten aanzien van de vordering zoals die bestonden op het moment van overgang, onveranderd (art. 6:145 BW).2 In zoverre blijft de rechtspositie van de schuldenaar onveranderd. Aan de dogmatische verklaring hiervoor ligt een goederenrechtelijk beginsel ten grondslag. Door de overgang van een goed (derivatieve verkrijging) ondergaat het goed geen verandering. Het goed gaat op de verkrijger over zoals het bij zijn rechtsvoorganger bestond, inclusief de aan het goed verbonden rechten en verplichtingen.3 In de rechtspositie van de verkrijger ten aanzien van het goed treedt in vergelijking met die van zijn rechtsvoorganger geen verbetering of verslechtering op. Niemand kan meer rechten aan een ander overdragen dan hij zelf heeft,4 of beter: de rechtsverkrijger kan niet iets anders (nemo aliud) verkrijgen dan zijn rechtsvoorganger had, waarbij in het midden kan worden gelaten of een verandering een verbetering of een verslechtering betekent (of geen van beide).5 Deze regel, die voor de overgang en de overdracht van alle goederen geldt, kan ook worden toegepast op de overgang van vorderingen.6 Uit deze regel kan worden afgeleid dat omdat voor de rechtsverkrijger de inhoud van de vordering niet verandert, spiegelbeeldig ook de inhoud van de vordering voor de schuldenaar niet verandert, en daardoor ook geen verandering optreedt in zijn rechtspositie ten aanzien van de vordering, ongeacht of de verandering een verslechtering of verbetering van diens rechtspositie inhoudt.7 De uitkomst is ook rechtvaardig: de schuldenaar mag door de overgang van de vordering buiten zijn instemming niet in een slechtere (of betere) rechtspositie komen.8
555. De schuldenaar wordt tegen zijn wil met een andere schuldeiser opgezadeld. Voor zover deze verandering betrekking heeft op de vordering, is deze verandering met name van feitelijke aard. De nieuwe schuldeiser kan bijvoorbeeld op een andere manier de vordering innen dan de oude schuldeiser.9 Verandert de inhoud van de vordering doordat de schuldeiser van de vordering verandert, dan is de vordering in de regel hoogstpersoonlijk en naar zijn aard niet vatbaar voor overgang (vgl. o.a. art. 3:83 lid 1 BW).10 Dit is met name het geval bij de vorderingen die tot iets anders verplichten dan de betaling van geld of de overdracht van een goed.11 De schuldenaar kan zich (ten dele) beschermen tegen een nieuwe schuldeiser door krachtens partijbeding met de schuldeiser de vordering onoverdraagbaar te maken (art. 3:83 lid 2 BW).12
556. De rechtspositie van de schuldeiser blijft, zoals gezegd, in andere opzichten niet ongewijzigd. De overgang van de vordering kan gevolgen hebben voor de bevoegdheden van de schuldenaar die op meer dan alleen de overgegane vordering betrekking hebben, zoals de bevoegdheid tot verrekening en de bevoegdheid tot het instellen van een eis in reconventie. Ook door veranderingen aan de kant van de schuldeiser kan de positie van de schuldenaar wijzigen. Na de overgang van de vordering kan de nieuwe schuldeiser bijvoorbeeld een schuld aan de schuldenaar verrekenen met de overgegane vordering. De positie van de schuldenaar kan ook verslechteren omdat de overgegane vordering valt onder een door de `schuldenaar aan de nieuwe schuldeiser reeds verstrekte bankhypotheek.13 Het goederenrechtelijke beginsel dat de vordering ongewijzigd op de nieuwe schuldeiser overgaat, helpt de schuldenaar in deze gevallen niet. Alleen een wettelijke bepaling kan ervoor zorgen dat de rechtspositie van de schuldenaar ongewijzigd blijft, of dat binnen bepaalde redelijke grenzen de rechtspositie van de schuldenaar, voor zover die betrekking heeft op bestaande of redelijk te verwachten bevoegdheden, zoveel mogelijk wordt beschermd tegen de gevolgen van de overgang van de vordering.14
Uit het goederenrechtelijke beginsel volgt derhalve niet dat de gehele rechtspositie van de schuldenaar onveranderd blijft.15 Spelen andere voorwaarden of vereisten die buiten de vordering liggen ook een rol, zoals het bestaan van wederkerig schuldeiserschap, denk bijvoorbeeld aan verrekening en het instellen van een eis in reconventie, dan kan daardoor wel degelijk een verandering in de rechtspositie van de schuldenaar optreden.16 Dit valt buiten de toepassing van het nemo-plus-beginsel op de positie van de schuldenaar. Alleen een wettelijke bepaling, zoals art. 6:130 lid 1 BW, kan de rechtspositie van de schuldenaar beschermen tegen de eventuele nadelige rechtsgevolgen van de overgang van de vordering.
Het voortbestaan en de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van de onderliggende rechtsverhouding worden in beginsel niet beïnvloed door de overgang van de vordering (vgl. art. 6:149 BW). Dit kan juist echter ook gevolgen hebben voor de totale rechtspositie van de schuldenaar, omdat de schuldenaar zich na de overgang van de vordering met twee verschillende personen geconfronteerd ziet waarmee hij rekening dient te houden. Met name in een procedure kan dit voor moeilijkheden zorgen.17