Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.3.e
7.3.e Toegangsweigeringsvoorwaarden: onvoldoende belang bij beroep II
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610738:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overigens worden niet alle vormverzuimen onder art. 80a gerelativeerd, zie bijv. HR 3 maart 2015, ECLI:503 (laatste woord); HR 7 april 2015, ECLI:890 (laatste woord); HR 24 april 2015, ECLI:1134 (afschrift stukken raadsman); HR 15 september 2015, NJ 2016/ 98, m.nt. Keulen (strafmotivering).
Huls 2009, p. 51-57.
Anders: Borgers 2013, p. 2506-2507, die een beperkte lezing geeft van de tekst van artikel 80a RO.
Vgl. Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.39.
Vgl. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245, waarin hij onderscheidt tussen ‘enig’ en ‘voldoende’ belang.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.5.3; en HR 29 september 2015, NJ 2016/431, m.nt. Van Kempen; zie daarover ook Reijntjes, noot onder HR 21 januari 2014, NJ 2014/197; Keulen, noot onder HR 20 mei 2014, NJ 2014/381; sommigen menen dat de Hoge Raad wat feitenonderzoek betreft al ver is gegaan, zie Röttgering 2013b.
Borgers 2013, p. 2508, betreurt dat.
Paragraaf 7.2d.
Met de maatstaf van onvoldoende belang geeft artikel 80a RO dus ruimte voor vrije toegangsbeoordeling. De maatstaf van onvoldoende belang is niet alleen van toepassing op bepaalde vormverzuimen en fouten in de motivering van een overigens juiste uitspraak,1 maar wordt ook gebruikt om beroepen niet-ontvankelijk te verklaren waarin materiële fouten zijn gemaakt in de bewezenverklaring, kwalificatie of strafoplegging. Dus ook als inhoudelijke fouten in de bestreden uitspraak zijn gemaakt, is toepassing van artikel 80a RO mogelijk. De Hoge Raad past artikel 80a RO dus mede toe in lijn met de in paragraaf 2c als vierde onderscheiden lezing van de wetsgeschiedenis. Waar ligt hierbij de grens?
De belangrijke vraag hoe vrij de Hoge Raad precies is in toegangsweigering op grond van artikel 80a RO, kan op basis van de wettekst nauwelijks worden beantwoord. Weliswaar koppelt artikel 80a RO toegangsweigering aan een te gering belang van de insteller van het beroep, maar omdat toegangsweigering mogelijk is indien ‘onvoldoende’ belang bestaat, laat de wettekst mijns inziens ruimte voor afweging van de belangen van de insteller van het beroep tegen andermans of andersoortige belangen.
Artikel 80a RO wijkt in dit opzicht af van de concepten van deze bepaling, waarvan de wetgever opvallend genoeg vanwege de vaagheid ervan afstand van nam.2 Zoals geciteerd wilde de Commissie Hammerstein I niet-ontvankelijkverklaring mogelijk te maken wanneer de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en de klachten evenmin uit een oogpunt van rechtsbescherming tot cassatie moeten leiden. Iets uitgebreider was een vroeg conceptwetsvoorstel, dat niet-ontvankelijkverklaring mogelijk wilde maken indien: (a) de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling; en (b) de aangevoerde klachten vanuit het belang van de rechtsbescherming en het belang van de bewaking van de kwaliteit van de rechtspraak van onvoldoende gewicht moeten worden beoordeeld voor een behandeling in cassatie.3 In beide gevallen worden de belangen van rechtseenheid en -ontwikkeling geplaatst náást het belang van rechtsbescherming, wat suggereert dat de beoordeling van de vraag of rechtsbescherming nodig is, los staat van de belangen van rechtseenheid en -ontwikkeling.
De onbevangen lezer van artikel 80a RO kan deze conclusie juist niet trekken.4 De tekst van die bepaling sluit immers niet uit dat de wellicht grote belangen van de insteller van het beroep kunnen worden weggestreept tegen de te geringe relevantie van het beroep vanuit het oogpunt van rechtseenheid of rechtsbescherming.5 Waar de grens van ‘voldoende’ belang ligt, is immers in zijn algemeenheid niet te zeggen. Zelfs als de belangen van de insteller van het beroep ‘groot’ of ‘aanzienlijk’ zouden zijn, wil dat nog niet zeggen dat zij de cesuur van voldoende belang bereiken.6 In een wezenlijk open evenredigheidstoets kan het wellicht grote belang van de insteller van het beroep immers het onderspit delven.
Ook de Hoge Raad begrenst in zijn (overzichts)arresten nauwelijks in algemene zin de mogelijkheid tot vrije toegangsbeoordeling die artikel 80a RO aldus biedt. Weliswaar wordt onder meer in het standaardarrest van 7 juni 2016 overwogen dat de Hoge Raad specifiek bij bewijsklachten niet te zeer op het terrein van de feitenrechter moet treden,7 maar dat laat daarbuiten een meer algemene afweging van belangen onverlet. En weliswaar geeft de Hoge Raad in de standaardarresten een uitgebreide en precieze opsomming van gevallen waarin artikel 80a RO kan worden toegepast, maar uitlatingen over wanneer dat níet kan, doet hij niet.8
Begrenzing van de vrije toegangsbeoordeling waarvoor artikel 80a RO ruimte laat, moet dus elders worden gezocht. Zoals uiteengezet onthult de wetsgeschiedenis twee grenzen.9 Ten eerste moet een beroep voor behandeling in cassatie worden toegelaten indien de belangen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling daartoe nopen. Hier is belangrijker dat ten tweede de vraag of sprake is van onvoldoende belang moet worden beantwoord met het oog op de noodzaak van rechtsbescherming. Indien cassatie (en nieuwe feitelijke behandeling) niet nodig is om wezenlijke rechtsbescherming te bieden, kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits zaakoverstijgende belangen niet tot behandeling nopen. Welke fouten ‘wezenlijk’ zijn, daarover kan worden getwist, maar voor afweging van de belangen van de insteller van het beroep tegen (geringe) zaakoverstijgende belangen biedt de wetsgeschiedenis volgens mij in elk geval geen ruimte. Wat de tekst van de wet en de overzichtsarresten van de Hoge Raad aan begrenzing openlaten, wordt dus door de wetsgeschiedenis tot op zekere hoogte wel ingevuld.