Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.1:3.1 Inleiding
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS956960:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wilman, ELR 2017, afl. 4, p. 511.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De privaatrechtelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten is in grote lijnen geharmoniseerd door de Handhavingsrichtlijn. De richtlijn kent een eigen procesrechtelijke regeling en harmoniseert de belangrijkste rechtsvorderingen die de rechthebbende ten dienste staan wanneer hij zich geconfronteerd ziet met een inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht. De richtlijn vormt daarmee een van de meest vergaande interventies van de Uniewetgever op het gebied van privaatrechtelijke rechtshandhaving.1 In dit hoofdstuk zal een schets worden gegeven van de achtergrond van de richtlijn, haar algemene inhoud en haar doelstellingen en toepassingsbereik. Vervolgens komen de bepaling aan bod die betrekking hebben op het rechterlijk verbod in de bodemprocedure en in kort geding. Bij deze bespreking is bijzondere aandacht besteed aan aspecten die verband houden met de toewijzing van het verbod, zoals de discretionaire bevoegdheid van de rechter.