Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4:3.4 Het verbod in de bodemprocedure en in kort geding
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4
3.4 Het verbod in de bodemprocedure en in kort geding
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955410:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 130. Zie ook ov. 24: “Afhankelijk van het geval en zo de omstandigheden het rechtvaardigen, moeten de vast te stellen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen verbodsmaatregelen omvatten ter voorkoming van nieuwe inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten”.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Handhavingsrichtlijn regelt zowel het verbod in kort geding als in de bodemprocedure. De relevante bepalingen zijn hieronder weergegeven.
Artikel 9 lid 1 Handhavingsrichtlijn
De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser:
a) tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht [sic] te voorkomen of om, indien wenselijk en indien het nationale recht hierin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de rechthebbende[.]
Artikel 11 Handhavingsrichtlijn
De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht [sic] is vastgesteld, de bevoegde rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker kunnen uitvaardigen. Indien het nationale recht erin voorziet, wordt bij niet-naleving van een bevel, indien passend, een dwangsom tot naleving van het verbod opgelegd.
Vergelijkt men de bovenstaande bepalingen met elkaar, dan valt op dat alleen art. 9 Handhavingsrichtlijn met zoveel woorden bepaalt dat een verbod kan worden gevorderd om een dreigende inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht te voorkomen. Hoewel art. 11 van de richtlijn slechts spreekt van een bevel tot staking van de inbreuk, volgt uit rechtspraak dat de bepaling ook een verbod op herhaling van een reeds gepleegde inbreuk regelt.1 Gelet op het hoge beschermingsniveau dat de richtlijn nastreeft, ligt het in mijn ogen voor de hand aan te nemen dat een verbod in de bodemprocedure ook mogelijk is als zich in het geheel nog geen inbreuk heeft voorgedaan.
3.4.1 Het verbod in de bodemprocedure3.4.2 Het verbod in kort geding3.4.3 Geldelijke vergoeding in plaats van een verbod3.4.4 De ruimte voor afwijkingen van het beginsel van toewijzing