Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/4.5.1
4.5.1 Ad (i) en (ii): Focus op het onrechtmatig besluit in plaats van op het onrechtmatig gedrag; geen aandacht voor onderscheid doen en nalaten
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284638:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het onderscheid en de overlap tussen de (on)geldigheid en (on)rechtmatigheid van het besluit zeer uitvoerig Kortmann 2006, p. 111-161. Ik kom op de ongeldigheid en de onrechtmatigheid later nog terug.
Dit criterium wordt af en toe door zowel de civiele rechter als de bestuursrechter als het algemene criterium gepresenteerd: HR 24 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4771, NJ 1984/669, m.nt. J.A. Borman (St. Oedenrode/Driessen); HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, NJ 1993/112, m.nt. C.J.H. Brunner (Van Gog/Nederweert) en bijv. CRvB 21 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AE8577, JB 2001/76, m.nt. L.F.M. Verheij (A./SVB); CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF8080, AB 2003/277, m.nt. J.H. van der Veen (West-Nijlvirus) en ABRvS 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6051, JB 2004/225, m.nt. A.M.L. Jansen (J./Zuid-Holland).
Vgl. Schlössels 2003, p. 515-544 en Van Maanen 2004a, p. 41 e.v. die op dezelfde type problemen wezen. Ook ik zal hierna nog af en toe – waar het inhoudelijk niet uitmaakt – zondigen en versimpeld spreken van een onrechtmatig besluit.
Vgl. Sanderink 2015, p. 642-644 die er tevens op wijst dat de bestuursrechter soms het besluit (op bezwaar) vernietigt op een bepaalde beroepsgrond en de overige bezwaren onbehandeld laat. Normaal gesproken vindt binnen het bestuursrecht net zolang toetsing plaats totdat een geldig besluit genomen is. Dat is echter niet steeds het geval. Zo kan het bestuursorgaan er bijvoorbeeld voor kiezen na een vernietigd boetebesluit geen nieuw besluit meer te nemen. Dat stelt de civiele rechter soms voor een probleem. Stel dat de civiele rechter tot de conclusie komt dat het bestuursorgaan het gebrek dat tot de vernietiging van het besluit heeft geleid eenvoudig had hersteld. Hij zal dan al snel tot de conclusie komen dat het csqn-verband tussen het boetebesluit en de schade ontbreekt. De andere – door de bestuursrechter niet behandelende – beroepsgronden zouden echter tot een ander oordeel kunnen leiden. Daardoor zou er sprake kunnen zijn van ander onbeoordeeld gebleven onrechtmatig gedrag bij het nemen van het besluit. Het is pleitbaar dat de (ratio van de) formele rechtskracht dan zou vereisen dat de civiele rechter zich niet mag inlaten met de gegrondheid van die beroepsgronden. Mijns inziens heeft de civiele rechter die mogelijkheid wel. De Hoge Raad heeft dat in essentie reeds aanvaard doordat de civiele rechter inmiddels ook in het kader van de besluitencausaliteitstoets (zie §4.3.3) mag nagaan welk besluit het bestuursorgaan zou hebben genomen in plaats van het ongeldige besluit. Dat impliceert dat de civiele rechter ook mag nagaan of dát hypothetische besluit geldig en (dus) rechtmatig zou zijn geweest. De civiele rechter laat zich dus in het kader van de besluitencausaliteitstoets hoe dan ook al in met de bestuursrechtelijke geldigheid van het besluit, indien het bestuursrechtelijke traject is afgesloten. Vgl. ook Schlössels 2014, p. 202-203 die overigens in het midden laat of de civiele rechter mag treden in de onbesproken beroepsgronden.
In de literatuur is er – mijns inziens terecht – meermaals op gewezen dat publiekrechtelijke (on)geldigheid van een besluit moet worden onderscheiden van de civielrechtelijke (on)rechtmatigheid daarvan. De geldigheidstoets richt zich op de vraag of het genomen besluit verenigbaar is met de publiekrechtelijke normen die daarop van toepassing zijn, de civiele onrechtmatigheidstoets ziet op de vraag of het gedrag van het overheidslichaam bij het nemen van het besluit de drie onrechtmatigheidscategorieën van art. 6:162 lid 2 BW kan doorstaan. Zie over het onderscheid bijvoorbeeld ook Van Maanen 2002, §2.2, Tak 2004, §4. Vgl. ook Kortmann 2006, p. 117 e.v.
Voor de goede orde: ik weet niet of voor het navolgende verwijten in het concrete geval daadwerkelijk aanleiding was. Ik geef het voorbeeld enkel om het belang van het concrete verwijt voor de uitvoering van de csqn-toets te verduidelijken.
Zie bijv., Van Ravels 2015, p. 683, 695 en 697-698 die meent dat het probleem dat het wegdenken van een nalaten tot niets leidt, rechtvaardigt dat er dus steeds mag worden bijgedacht. In de zaken waarnaar hij ter onderbouwing daarvan verwijst, was volgens mij echter steeds sprake van een nalaten dat het bijdenken verklaart. Hij verwijst (op p. 695) naar Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6886, NJF 2014/412 (Vitesse/Gelderland) waarin het ging om een lid van GS van de Provincie Gelderland dat bij een toezegging jegens Vitesse had nagelaten een voldoende duidelijk voorbehoud te maken van toestemming van PS (zie ook het daaraan voorafgaande arrest van de Hoge Raad: HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, AB 2010/334, m.nt F.J. van Ommeren (Gelderland/Vitesse). Het hof neemt dat nalaten als uitgangspunt en denkt in het kader van het csqn-verband daarom niet de hele toezegging weg, maar gaat na wat zou zijn gebeurd als het voorbehoud wel zou zijn gemaakt. Hetzelfde geldt voor de verwijzing (op p. 697-698) naar Hof Den Haag 29 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4611 (Wahring/Witlox) waarin het ging om een wegens schending van hoor en wederhoor onrechtmatig rapport. Het hof gaat in dat geval na hoe de situatie zou zijn als die hoor- en wederhoorverplichting zou zijn nagekomen. Het gaat dus om een nalaten. Zie ook bijv. Kortmann 2012, onder 3.1 die een vergelijkbare redenering als Van Ravels lijkt te volgen.
In wezen is er natuurlijk geen hoofdregel. De verschillende typen normschending vereisen een iets andere csqn-toets. Zij vloeien allebei voort uit dezelfde logica: zie §3.2-3.3 en 3.6.
186. Het bestuursrecht is gericht op de geldigheid van het besluit. Ongeldigheid betekent (als uitgangspunt) dat het besluit door de bestuursrechter moet worden vernietigd.1 Op grond van de oneigenlijke formele rechtskracht moet het besluit vervolgens als uitgangspunt voor onrechtmatig worden gehouden. Dit samenspel leidt al snel tot de gedachte dat daarom ‘het besluit’ als zodanig ‘onrechtmatig’ is of het nemen en handhaven van het ongeldige besluit steeds onrechtmatig is.2 De ingeburgerde terminologie van het ‘onrechtmatig besluit’ sluit daarbij aan.3 De Hoge Raad gaat er in onder andere Hengelo/Wevers en UWV/X vanuit dat csqn-verband kan bestaan tussen het ‘onrechtmatig besluit’ en de schade. In UWV/X neemt de Hoge Raad zelfs tot uitgangspunt dat csqn-verband kan bestaan tussen ‘het rechtsgevolg’ van het besluit en de schade of tussen het ‘onrechtmatig besluit’ en de ‘andere schade’. Ook de ABRvS denkt bijvoorbeeld in Biolicious in termen van causaliteit tussen het ‘onrechtmatig besluit’ en de schade. De besluitencausaliteitstoets vereist vervolgens in de kern dat het onrechtmatig besluit wordt weggedacht en daarvoor in de plaats het hypothetisch alternatief besluit geplaatst moet worden.
187. Deze focus op het causaal verband tussen het ‘onrechtmatig besluit’ en de schade vormt een breuk met het algemene civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarin staat namelijk steeds een bepaald gedrag centraal: art. 6:162 BW vereist dat een bepaald gedrag strijdt met de wet, het ongeschreven recht of een inbreuk vormt op een recht.4 We zagen met name in §3.3 en 3.6-3.7 dat die focus op het onrechtmatig gedrag bij de uitvoering van de csqn-toets van belang is, omdat dat in de eerste plaats bepaalt of sprake is van een weg te denken doen of van een tot bijdenken nopend nalaten.
188. Een gedetailleerdere blik leert dat ook binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht sprake is van goed identificeerbaar onrechtmatig gedrag. Dat gedrag bestaat soms uit een doen, maar ook vaak uit een nalaten. Het bestuursrecht zit namelijk vol met op het bestuursorgaan gerichte normen die nageleefd moeten worden bij het nemen van een besluit: besluiten moeten openbaar gemaakt worden, plannen of voorgenomen besluiten moeten ter inzage gelegd worden, er moeten deskundigen geraadpleegd worden, er moeten hoorplichten jegens de burger worden nageleefd, er moet beslist worden op verzoeken van de burger etc. etc. Als het bestuursorgaan die normen verzuimt na te leven is steeds sprake van een vorm van nalaten. De civiele csqn-toets vereist dan na te gaan wat het besluit zou zijn geweest indien die norm zou zijn nageleefd: wat was er gebeurd als de deskundigen wel waren geraadpleegd, wat was er gebeurd als het plan wél ter inzage was gelegd, wat was er gebeurd als op het verzoek wel was beslist?5
189. De enkele focus op het ‘onrechtmatige besluit’ verdoezelt het doen- of nalatenkarakter van het onrechtmatige gedrag. Dat vormt volgens mij de eerste reden waarom de huidige besluitencausaliteitstoets bijvoorbeeld de hiervoor in §4.4.1 besproken casus ‘verkeerde hinderwetvergunning’ (casus I) zo lastig oplost. Het onrechtmatig gedrag schuilt in die casus niet in de verlening van de onjuiste hinderwetvergunning. Het onrechtmatig gedrag zit erin dat de gemeente nalaat op de aanvraag conform het recht een vergunning te verlenen waarin óók de door art. 17 lid 1 Hinderwet (oud) gestelde eisen zijn opgenomen. Vanwege dat nalaatkaraker leidt het wegdenken van de verleende ongeldige hinderwetvergunning of de vernietiging daarvan tot een resultaat dat vanuit civielrechtelijk oogpunt verbaast – en de Hoge Raad in die casus ook niet aanvaardt. De algemene csqn-toets vereist na te gaan wat de vermogensrechtelijke situatie van de aanvrager zou zijn geweest als die nagelaten verplichting wél zou zijn nageleefd.
190. Ook de causaliteitsproblematiek van de in §4.4.2 besproken standwerkerscasus (casus II) wordt in deze benadering volgens mij helderder en lost zich via de algemene civiele csqn-toets op. De standwerkers verweten de gemeente te hebben nagelaten conform de verordening alle plaatsen voor de standwerkers direct onder hen te verloten. Daarom vereist de csqn-toets na te gaan in welke situatie zij zouden hebben verkeerd indien die verordening wel zou zijn nageleefd. De schade bestaat uit de verloren kans dat de standwerkers bij naleving van die marktverordening wel zouden zijn ingeloot bij die eerste loting. Dat is een vraag van kansschade en staat helemaal los van de vraag of de schade ook zou zijn veroorzaakt door een geldig besluit. De kansschadebenadering komt in §6.3.4.2 nog uitvoerig aan de orde.
191. De in §4.3.3 besproken casus BKR/Provincie Zuid-Holland-casus lost zich met een beter beeld van het verweten gedrag volgens mij ook eenvoudiger en conform de algemene civiele csqn-toets op. De provincie heeft aan BKR een ontgrondingsvergunning afgegeven voor ontgronding van een terrein met een talud van 1:4. Vervolgens geeft de provincie op basis van de vergunning een aanwijzing dat nog slechts een talud van 1:6, en dus minder, mag worden afgegraven. De vergunning biedt voor een in de tijd ongelimiteerde aanwijzing echter geen grondslag. De aanwijzing is dus ongeldig. BKR vordert vervolgens schadevergoeding. Zij stelt daartoe dat haar apparatuur door die onrechtmatige aanwijzing heeft stilgelegen.
De normschending bestaat uit het zonder grondslag daartoe nemen van een in de tijd ongelimiteerd aanwijzingsbesluit. Het betreft dus een onrechtmatig doen. Men zal dus moeten nagaan hoe de situatie zou zijn geweest zonder de aanwijzing. Het csqn-verband ontbreekt, omdat de apparatuur daar dan ook aanwezig zou zijn geweest vanwege de eerder afgegeven ontgrondingsvergunning.
Men zal dus óók moeten concluderen dat BKR door de onrechtmatige aanwijzing enige tijd is verboden het talud met een hoek van 1:4 af te graven – namelijk tot het moment dat de vergunning zelf rechtmatig gewijzigd werd naar een taludhoogte van 1:6. BKR had mogelijk in die periode meer afgegraven dan de 1:6-hoek toeliet. BKR zou kunnen aanvoeren dat zij daarom door de onrechtmatige aanwijzing winst heeft gederfd. Die schade staat dan inderdaad in csqn-verband met het nemen van de ongeldige aanwijzing.
192. De csqn-discussie verandert als de norm wijzigt. Stel dat de provincie verweten zou kunnen worden dat zij direct de vergunning zelf had moeten wijzigen van een hellinghoek van 1:4 naar 1:6 in plaats van het geven van de aanwijzing. Als men zegt dat dát nalaten onrechtmatig is, staat een deel van de voor de apparatuur gemaakte kosten daarmee inderdaad in csqn-verband. Als dat besluit eerder was genomen zou BKR de apparatuur namelijk eerder hebben verwijderd en zou zij daarvoor minder kosten hebben gemaakt. 6
193. Overigens lijkt het onderscheid tussen de csqn-toets bij een doen en een nalaten nog weleens aan de bron te staan van de gedachte dat er in het kader van de csqn-toets steeds een rechtmatig alternatief bijgedacht mag worden: uit het feit dat er in nalaatsituaties een bijdenkexercitie nodig is, wordt dan afgeleid dat het bijdenken daarom steeds mag en moet.7 Dat ziet voorbij aan het onderscheid tussen doen en nalaten. Dat de nalaattoets een van de ‘hoofdregel’8 afwijkende toets vereist, betekent uiteraard niet dat die hoofdregel moet worden verlaten.