Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.3.2.2.2
2.3.2.2.2 De Raad van Europa
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633677:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, par. 31 (Kokkinakis v. Griekenland).
Green & Witte 2013, p. 9, 30.
Grabenwarter 2014, p. 237.
Research Division of the European Court of Human Rights, ‘Overview of the Court’s case-law on freedom of religion’, p. 6, par. 11, oorspronkelijke versie 19 januari 2011 en geüpdatet op 31 oktober 2013.
EHRM 1 oktober 2009, EHRC 2009, 124, m.nt. Gerards (Kimlya e.a. v. Rusland), par. 79. In casu ging het om de vraag of Scientology als ‘religion’ kwalificeerde. Het EHRM constateerde dat daarover onder de lidstaten een groot meningsverschil bestond. Doorslaggevend was dat Rusland als procespartij in deze zaak Scientology wel als religie erkende.
Doe 2011, p. 21.
Vermeulen & Van Roosmalen 2018, par. 3.1, p. 742.
EHRM (GK) 7 juli 2011, EHRC 2011, 137 m.nt. Loof, NJCM-Bulletin 2012, 35 m.nt. Vermeulen en Woltjer, par. 110 (Bayatyan v. Armenië), ten aanzien van religie; Eweida and others v. United Kingdom, 15 januari 2013, par. 81, ten aanzien van religie; Campbell and Cosans v. the United Kingdom, 25 februari 1982, par. 36, ten aanzien van levensovertuiging.
Rainey, Wicks & Ovey 2014, p. 413.
Vleugel 2018, p. 428, 444.
Evans, Malcolm 1997, p. 290-292.
Doe 2011, p. 21; Evans, Malcolm 1997, 293.
Vleugel 2018, p. 429, 430.
Evans, Carolyn 2003, p. 65, 66.
Vleugel 2018, p. 428.
Vermeulen 2008, p. 19.
Vermeulen & Van Roosmalen 2018, par. 3.1, p. 742.
EHRM 26 september 1996, Manoussakis v. Griekenland, r.o. 47, EHRM 13 december 2001, Metropolitan Church of Bessarabia e.a. v. Moldavië, r.o. 123 en EHRM 7 juli 2011, Bayatyan v. Armenia, r.o. 120.
Zie over het pastafarisme uitgebreid Verheij 2018 en Vleugel 2017.
Rechtbank Oost-Brabant 15 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:762, r.o. 5.3., 5.5.
ABRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2715, r.o. 9 en 9.4.
Vermeulen & Van Roosmalen 2018, par. 3.1, p. 741; Cumper 2014, p. 593, Philipsen & Vermeulen 2014, p. 30; Doe 2011, p. 21; Carolyn Evans 2003, p. 55.
Evans, Carolyn 2003, p. 56.
Doe 2011, p. 21, 28.
Vleugel 2018, p. 8 e.v.
Vleugel 2018, p. 407 e.v., 427 e.v., 431, 437 en 444. Deze subjectiverende uitleg zou volgens Vleugel gepaard moeten gaan met onder meer minimale objectieve randvoorwaarden en een strengere oprechtsheidstoets dan de eis van bepaalde mate van serieusheid of ernst die het EHRM aan een godsdienst of levensbeschouwing stelt. In de visie van Vleugel zou namelijk ook het rechtssubject aan een strikte oprechtheidstoets moeten worden onderworpen. De minimale objectieve randvoorwaarden zien op de eisen van het EHRM dat een godsdienst of levensbeschouwing een bepaalde mate moet hebben van begrijpelijkheid, samenhang, belangrijkheid en serieusheid.
Doe 2011, p. 22.
Doe 2011, p. 23- 28.
Niet alleen de EU (27 lidstaten) maar ook de RvE met zijn ruimere kader van 47 lidstaten erkent de waarde van religie, zoals blijkt uit de Straatsburgse jurisprudentie. Het EHRM benadrukte in 1993 dat de vrijheid van religie en levensovertuiging van fundamentele betekenis is voor een pluralistische, democratische samenleving. Het Hof motiveerde dit als volgt:
“It is, in its religious dimension, one of the most vital elements which go to make up the identity of believers and their conception of life, but is also a precious asset to atheists, agnostics, sceptics and the unconcerned. The pluralism indissociable from a democratic society, which has been clearly won over the centuries, depends on it.”1
Green & Witte merken in dit verband op dat veel religies en moraalfilosofieën gaan over fundamenteel ethische en morele vraagstukken rondom rechtvaardigheid en de ‘juiste’ levenswijze, hoe macht moet worden uitgeoefend en welke plichten individuen tegenover elkaar hebben. Het is volgens hen dus niet verwonderlijk dat mensenrechten in niet geringe mate de moderne politieke vruchten zijn van oude religieuze levensovertuigingen en praktijken.2
Het EVRM bevat geen algemeen aanvaarde definitie van religie. De nationale rechtsordes van de 47 lidstaten van de RvE, die alle het EVRM hebben geratificeerd, bieden die evenmin. Een afgebakende definitie van religie voor de toepassing van artikel 9 EVRM is ook niet nodig want ‘beliefs’ (overtuigingen) genieten evengoed bescherming onder deze bepaling.3 De EVRM-instanties hebben niet de bevoegdheid om religie te definiëren, maar moeten het begrip non-restrictief uitleggen, zodat het niet beperkt is tot de voornaamste religies.4 Het EHRM waagt zich dan ook niet aan een definitie van religie en laat het aan de nationale autoriteiten van de lidstaten over om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een ‘religion’ in de zin van het mensenrechtenverdrag. Het Hof constateert dat er grote verschillen bestaan tussen lidstaten als het gaat om de vraag of een bepaalde beweging als ‘religion’ kan worden aangemerkt. Het Hof ziet het dan ook niet als zijn taak “to decide in abstracto whether or not a body of beliefs and related practices may be considered a ‘religion’”.5 Deze terughoudendheid heeft veel kritiek ontlokt.6 Zo wijzen Vermeulen en Van Roosmalen erop dat deze benadering van het Hof de autonome aard van de begrippen ‘religion’ en ‘belief’ kan ondermijnen en kan leiden tot een arbitraire beperking van de beschermingsomvang van deze bepaling doordat de invulling van het begrippenpaar van lidstaat tot lidstaat verschilt.7
Wel geeft het EHRM van het begrippenpaar ‘religion or belief’ de volgende abstracte omschrijving: ‘a conviction or belief of sufficient cogency, seriousness, cohesion and importance’.8 Hierbij duidt de eis van ‘importance’ op het belang van het religieuze denkbeeld voor het individu, dat wil zeggen dat dit denkbeeld een centrale plaats inneemt in de levensopvatting van het rechtssubject.9 De eis van ‘cohesion’ betreft een samenhangende visie op fundamentele kwesties of vraagstukken over de oorsprong, de zin en het doel van het bestaan.10 Malcolm Evans merkt op dat de kans dat een bepaalde levensovertuiging van al dan niet religieuze aard aan de eis van ‘seriousness’ voldoet, groter is als die levensovertuiging verband houdt met een gevestigde religie of een algemeen aanvaarde denkrichting. Wat in overige gevallen kan helpen, is een formele structuur, zoals het oprichten van een vereniging.11 Het gaat dus niet om ‘mere opinions or deeply held feelings’, maar om ‘spiritual or philosophical convictions with an identifiable formal content’,12 namelijk over de oorsprong, de zin en het doel van het bestaan.13 Volgens Carolyn Evans omvat religie in ieder geval meer dan een ‘important and coherent set of beliefs’, omdat religie niet louter een ‘set of intellectual propositions’ is, maar een morele, ethische, bovennatuurlijke, communale en symbolische functie of rol in het leven van mensen kan vervullen.14 Tot slot moet er sprake zijn van een bepaalde mate van ‘cogency’: begrijpelijkheid, dialoogeerbaarheid15 of communiceerbaarheid.16 Zodra aan de criteria ‘sufficient cogency, seriousness, cohesion and importance’ is voldaan, is er sprake van ‘religion’ of ‘belief’.17 Het is de lidstaten niet toegestaan zich uit te spreken over de inhoud en legitimiteit van een levensovertuiging en de middelen om daaraan uiting te geven.18
Rechtbank Oost-Brabant heeft deze EHRM-criteria in 2017 toegepast op het pastafarisme (het geloof in een vliegend spaghettimonster)19 en kwam tot de conclusie dat het pastafarisme vanwege zijn te sterke satirische karakter niet voldeed aan de eis van voldoende ernst of serieusheid.20 In een andere zaak over het pastafarisme concludeerde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder verwijzing naar deze uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant, eveneens dat het pastafarisme niet aan de EHRM-criteria voldoet en derhalve niet als een godsdienst in de zin van artikel 9 EVRM en artikel 6 GW kan kwalificeren.21 Daarbij erkende de Afdeling het grote belang om in vrijheid satirische kritiek te kunnen uiten op religieuze dogma’s, instituties en religies, maar merkte op dat dergelijke kritiek daarmee zelf niet aan te merken is als beschermwaardige godsdienst in de zin van de betreffende grondrechten. De Afdeling was van oordeel dat het satirische element in het pastafarisme zowel naar de vorm als naar de inhoud van de uitgedragen visie zodanig overheerst dat niet voldaan wordt aan de door het EHRM geformuleerde randvoorwaarden om als godsdienst te gelden. Het ontbreekt naar het oordeel van de Afdeling in het bijzonder aan de vereiste ernst en samenhang. Op de satire en parodie die kenmerkend zijn voor het pastafarisme is de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging niet van toepassing, daarvoor is veeleer de vrijheid van meningsuiting relevant, aldus de Afdeling.
De ruimhartige opvatting van het EHRM van het begrippenpaar ‘religion or belief’ heeft ertoe geleid dat het zich in het kader van godsdienst of levensovertuiging heeft gebogen over uiteenlopende visies of levensovertuigingen. Zowel gevestigde wereldreligies (zoals christenheid, islam, hindoeïsme, boeddhisme, judaïsme en sikhsisme) als nieuwe religieuze bewegingen of minderheidsreligies (zoals Jehovah’s Getuigen, Leger des Heils, de Osho-beweging, Divine Light Zentrum en scientology), maar ook secularisme, druïdisme, veganisme, pacifisme en atheïsme vallen daarmee onder de termen ‘religion’ en ‘belief’.22 Onduidelijk is of ‘belief’ ook politieke overtuigingen omvat. Carolyn Evans leidt uit het feit dat het EHRM pacifisme – dat doorgaans op politieke/ethische leest is geschoeid – onder de term ‘belief’ schaart, af dat dit ook ruimte biedt voor politieke overtuigingen, zelfs de overtuigingen die zich moeilijk met mensenrechten laten verenigen, zoals nazisme of fascisme.23
Het oordeel van de nationale autoriteiten over de kwalificatie godsdienst of levensovertuiging neemt het EHRM dus als vertrekpunt voor zijn verdere beoordeling over de toepasbaarheid van de betreffende verdragsbepaling. Maar de nationale autoriteiten verstrekken doorgaans geen definitie van ‘religie’ in hun (grond)wetgeving en laten het aan de rechter over om te bepalen of er sprake is van een religie.24 Vleugel wijst op het beginsel van scheiding tussen kerk en staat als primaire reden dat de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 EVRM – evenals de wetsgeschiedenis van het hierna te bespreken artikel 6 GW – geen concrete definitie van religie bevat.25 De staat zou zich met een juridisch begrip van godsdienst begeven op het terrein van de theologie en zijn neutrale positie ten opzichte van de verschillende religies verliezen. Ook de maatschappelijke ontwikkelingen als de verdergaande subjectivering en individualisering van religie en de komst van immigrantenreligies zouden juist vanwege de diversiteit een definitie van religie bemoeilijken. Hij pleit dan ook aan de hand van politiek-filosofische ideaaltypen voor een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst in het recht (zelfdefinitie), wat erop neerkomt dat de uitleg van het rechtssubject op basis van eigen opvattingen juridisch doorslaggevend is.26
Er bestaat tussen de Europese nationale autoriteiten de consensus dat het begrip religie ruim geïnterpreteerd moet worden en niet beperkt is tot officieel erkende kerken of geloofsgemeenschappen.27 Doe onderscheidt de volgende kernelementen in de opvattingen van de Europese nationale autoriteiten over religie: “Religion is transcendent belief in divinity and action based upon it in the world”, “religion involves ‘belief’, ‘a set of beliefs’, ‘a statement of belief’ or ‘a specifically formulated belief’”. Deze levensovertuigingen zijn religieus van aard zodra ze draaien om een bovennatuurlijk wezen, een goddelijk wezen, transcendentie of de afhankelijkheid van mensen van een bovenmenselijke kracht. Hij voegt eraan toe dat religie ernaar streeft ‘to explain humankind and the world in its transcendent meaning’ alsook ‘to address the ultimate questions of human society and individual life’. Religieuze levensovertuigingen bieden een bepaalde wereldbeschouwing van het hele leven (de oorsprong en het doel ervan), die betekenis geeft aan het menselijke leven en de mensenwereld overstijgt. Maar de brede blik op religie heeft ertoe geleid dat dit begrip niet alleen theïstische maar ook non-theïstische en atheïstische levensovertuigingen omvat, zoals agnosticisme, vrijdenken, pacifisme, atheïsme en rationalisme. Nog een belangrijk kenmerk is volgens Doe dat religie veelal bezien wordt als een individuele of groepsactiviteit, uitgevoerd in de privé of publieke sfeer en uit vrije wil. Deze activiteiten kunnen bestaan uit rituelen en plechtigheden. Tot slot genereert religie bepaalde gedragsnormen, principes en (morele) regels die zowel het privé- als het sociale gedrag van de aanhangers reguleren.28