Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/III.5.2.2.3
III.5.2.2.3 Een verklaring voor het gebruik van de term ‘void’ door het Hof
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS590705:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 24 februari 1803, 5 U.S. 137 (Marbury v. Madison), 177.
Vgl. U.S. Supreme Court 19 maart 1900, 177 U.S. 28 (Waters-Pierce Oil Company v. Texas), 47; U.S. Supreme Court 19 december 1921, 257 U.S. 312 (Truax v. Corrigan), 341-342; U.S. Supreme Court 9 januari 1922, 257 U.S. 478 (Davis v. Wallace), 485 (obiter dic-tum). Ik ga uit van het geval, dat de wijzigingswet van meet af aan onverbindend was.
U.S. Supreme Court 18 februari 1928, 278 U.S. 515 (Frost v. Corporation Commission of State of Oklahoma), 526.
Lagere federale rechters volgen dat precedent getrouw. Zie U.S. District Court (Alabama) 29 juni 1971, 330 F.Supp. 615 (Weissinger v. Boswell), 625: ‘The elementary rule of statutory construction is without exception that a void act cannot operate to repeal a valid existing statute, and the law remains in full force and operation as if the repeal had never been attempted.’; U.S. District Court (Hawaï) 20 december 1972, 351 F.Supp. 949 (Ross v. Goshi), 954: ‘It is a general rule of application that, where an act purporting to amend and re-enact an existing statute is void, the original statute remains in force.’ U.S. District Court (Mississippi) 21 oktober 1975, 404 F.Supp. 206 (Stewart v. Waller), 215: ‘Because unconstitutional , the void [...] statute cannot have repealed or amended a valid prior enactment, and [that prior en-actment] remains in effect as if [the void act] had never been enacted.’
U.S. Supreme Court 10 mei 1886, 118 U.S. 425 (Norton v. Shelby County).
Field 1935, p. 90 beschrijft de achtergronden van deze zaak.
U.S. Supreme Court 10 mei 1886, 118 U.S. 425 (Norton v. Shelby County), 442.
Plave 1989, p. 115. Het aantal aanhangers van die stelling neemt gestaag af sinds 1960 (p. 116).
In U.S. Supreme Court 2 januari 1940, 308 U.S. 371 (Chicot County Drainage Dist. v. Baxter State Bank), 374 is het daarop terug gekomen. Het overweegt: ‘It is quite clear, however, that such broad statements as to the effect of a determination of unconstitutionality must be taken with qualifications. The actual existence of a statute, prior to such a determination, is an operative fact, and may have consequences which cannot justly be ignored. The past cannot always be erased by a new judicial declaration.’
Vgl. Plave 1989, p. 115.
Vgl. U.S. Supreme Court 5 mei 1913, 228 U.S. 559 (Chicago, Indianapolis & Louisville Ry. Co. v. Hackett), 566: ‘That [unconstitutional, JS] act was therefore as inoperative as if it had never been passed, for an unconstitutional act is not a law, and can neither confer a right or immunity nor operate to supersede any existing valid law.’ (Cursivering is van mij, JS.)
U.S. Supreme Court 1 maart 1886, 117 U.S. 201 (Tua v. Carriere), 210. Zie, hiervóór, paragraaf 5.2.2.1.
Naar Amerikaans recht kunnen onrechtmatige wettelijke voorschriften herleven, tenzij de uitzondering van Newberry zich voordoet. Waarom noemt het Hof onrechtmatige wettelijke voorschriften dan toch met enige regelmaat ‘nietig’?
Het Hof gebruikt die kwalificatie in drie gevallen.
Ten eerste gebruikt het Hof die term als het een wettelijk voorschrift als onverbindend buiten toepassing laat. Zo overwoog het in Marbury v. Madison: ‘an act of the Legislature repugnant to the Constitution is void.’1
Ten tweede noemt het Hof voorschriften nietig als het meent dat een wijzigings- of intrekkingswet onrechtmatig is. Het gevolg van de onrechtmatigheid van zo’n wet is, dat de wet waarvan wijziging of intrekking was beoogd in haar oude staat toepasselijk is gebleven.2 Een voorbeeld daarvan is Frost v. Corporation Commission of State of Oklahoma. Het Hof kwam tot het oordeel dat een bepaling van een statelijk voorschrift in strijd is met de Constitutie. Het overweegt:
‘But the proviso here in question was not in the original section. It was added by way of amendment many years after the original section was enacted. If valid, its practical effect would be to repeal by implication the requirement of the existing statute [...].
But since the amendment is void for unconstitutionality, it cannot be given that effect, “because an existing statute cannot be recalled or restricted by anything short of a constitutional enactment”.’ 3
Een onrechtmatige wijzigingswet kan een andere wet niet wijzigen, omdat zo’n onrechtmatig voorschrift ‘nietig’ is, zo luidt het oordeel van het Hof.4
Ten slotte noemt het Hof wettelijke voorschriften nietig als het de rechtmatigheid beoordeelt van beslissingen die op grond van zo’n voorschrift zijn genomen. Een veel geciteerd arrest in dit verband is Norton v. Shelby County:5 Een wet van de staat Tennessee stelde een Board of Commissioners of Shelby County in.6 Dat ambt was onder meer bevoegd om ten laste van Shelby County leningen te verstrekken. Vier jaren na de afkondiging van de wet die dit ambt instelde, verklaarde het Hooggerechtshof van Tennessee die wet in strijd met de Constitutie van de deelstaat. Daarop volgden enkele procedures over de aansprakelijkheid voor de rechten en plichten die uit de leningen voortvloeiden die de Board of Commissioners had verstrekt. In Norton v. Shelby County beantwoordt het Hof de vraag of een onrechtmatige wet ambten kan instellen – een voorwaarde voor de geldigheid van de verstrekte leningen. Zijn antwoord luidt ontkennend:
‘an unconstitutional act is not a law; it confers no rights; it imposes no duties; it affords no protection; it creates no office; it is, in legal contemplation, as inoperative as though it had never been passed.’7
De eerste woorden van deze overweging, waarin het Hof stelt: ‘an unconstitutional act is not a law’, hebben in de Verenigde Staten voeding gegeven aan de gedachte dat onrechtmatige wettelijke voorschriften niet enkel niet-toepasselijk, maar nietig zijn.8
De overweging in Norton v. Shelby County heeft echter geen betrekking op de juridische status van een onrechtmatig voorschrift, maar op de juridische status van de leningen die op grond van het onrechtmatige voorschrift zijn verstrekt. Anders gezegd: zij bespreekt de rechtsgevolgen van een onrechtmatig voorschrift. Volgens het Hof heeft zo’n voorschrift geen rechtsgevolgen en zijn daarom de beslissingen die op het voorschrift zijn gebaseerd onrechtmatig.9 Alleen in die zin is de wet ‘as inoperative as though it had never been passed.’10
Alle drie de gevallen waarin het Hof uitspreekt dat een onrechtmatig voorschrift ‘nietig’ is, of waarin het soortgelijke bewoordingen gebruikt, hebben gemeen dat de nietigheid van het voorschrift niet noodzakelijk is voor de beslissing in het geschil. In het eerste geval – de rechter laat een onrechtmatig voorschrift buiten toepassing – maakt het niet uit of het voorschrift ‘niet toepasselijk’ of ‘nietig’ is. In beide gevallen is het rechtsgevolg hetzelfde: de rechter mag het niet toepassen. Hetzelfde geldt voor de gevallen waarin het Hof beslist dat de onrechtmatigheid van een wijzigingswet ertoe leidt, dat de oude wet is blijven gelden. Een onrechtmatige wet kan de door haar beoogde rechtsgevolgen niet laten intreden, ongeacht of zij vanwege haar onrechtmatigheid niet-toepasselijk of nietig is. Een onrechtmatig voorschrift kan daardoor een ander voorschrift niet wijzigen of intrekken.11 Ten slotte heeft de onrechtmatigheid van een wettelijk voorschrift steeds tot gevolg dat beslissingen die op grond van dat voorschrift zijn genomen, onrechtmatig zijn. Of het voorschrift nietig is, of slechts buiten toepassing moet blijven, is ook daarvoor niet van belang.
Als de juridische status van het onrechtmatige wettelijke voorschrift er wel toe doet, dan kiest het Hof zijn woorden zorgvuldig. Zo noemt het in Tua v. Carriere – waarin het Hof de vraag beantwoordde of een onrechtmatig voorschrift kan herleven – een onrechtmatig voorschrift niet void, maar ‘inoperative’.12
De keuze van het Hof om een onrechtmatig wettelijk voorschrift als ‘nietig’ te kwalificeren, lijkt daarmee een retorisch doel te dienen. Het is – zeker in Marbury v. Madison – een ‘truc’ die moet voorkomen dat de opvatting postvat, dat de rechter zich begeeft op het terrein van de wetgever. Door onrechtmatige voorschriften nietig te noemen, versterkt het Hof het beeld dat de rechter tot toetsing en buiten toepassing laten is gedwongen: een nietig voorschrift is non-existent en kan hij dus niet toepassen.