Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.7.2:9.3.7.2 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.7.2
9.3.7.2 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610256:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat het concernbegrip niet nader is omschreven, kan de rechtsvormneutraliteit niet worden beoordeeld.
Een rechtsvormneutrale invulling zou overigens kunnen worden bereikt door aan te sluiten bij het eerder genoemde begrip ‘concern’. Er zou dan een duidelijker en uniform geheel ontstaan. In hoofdstuk 7 heb ik de contouren geschetst van het begrip ‘concern’:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Bij dit verbondenheidsvermoeden geldt een neerwaartse, opwaartse en zijwaartse benadering. Dat wil zeggen, dat het belang van meer dan 50% kan zien op verbondenheid met een dochtervennootschap, een moedervennootschap en een zustervennootschap.
Ten aanzien van de verbondenheid van een natuurlijk persoon met een lichaam worden de belangen gehouden door diens ‘partner’ en kinderen meegeteld bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Een andere mogelijkheid zou zijn om aan te sluiten bij het groepsbegrip van art. 2:24b BW. Dit begrip heeft ook een facilitaire functie. In hoofdstuk 7 heb ik echter toegelicht dat het niet nodig is om ten aanzien van fiscale bepalingen te verwijzen naar het begrip ‘groep’. Een fiscaal begrip ‘concern’ voldoet in dit opzicht.