Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.9
2.9 Huidige positie van de Hoge Raad
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592167:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 2004, NJ 2006/281 m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda). Zie voorts: HR 24 april 2006, NJ 2009/485 m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique), rov. 4.2.3; HR 13 oktober 2006, NJ 2008/527 m.nt. C.C. van Dam (DNB/Vie d’Or), rov. 4.2.2; HR 10 november 2006, NJ 2008/491 m.nt. J.B.M. Vranken (Astrazeneca/Amicon), rov. 3.3.2; en HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409 (Schietincident Alphen aan den Rijn), rov. 3.1.3.
HR 29 april 2011,NJ 2011/191 (Bouwcombinatie BR-4/Liander), rov. 3.4.4. In dezelfde zin: HR 1 juli 1977,NJ 1978/84 m.nt. G.J. Scholten (Van Hees/Esbeek); HR 19 december 2003,NJ 2004/348 (Onrechtmatige vervolging), rov. 4.3.3; HR 25 maart 2011,NJ 2011/139 (X/Hoogheemraadschap Rijnland), rov. 3.6.4; HR 8 juli 2011,NJ 2011/477 m.nt. J.W. Zwemmer (Intertrust/Ontvanger), rov. 3.5.1.
108. Tegenwoordig interpreteert de Hoge Raad art. 6:163 en 6:98 BW op hoofdlijnen als volgt.
109. Ter zake van art. 6:163 BW hanteert de Hoge Raad sinds Duwbak Linda1 de volgende formule:
“Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.” (rov. 3.4.1)
Opvallend is dat de Hoge Raad de negatieve geformuleerde uitzonderingsregel van art. 6:163 BW (“Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.”) parafraseert als positieve voorwaarde: “het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden”.
De door zowel het driemanschap als de opstellers van het gewijzigd ontwerp aangehangen driedeling van de toetsing aan het relativiteitsvereiste is met deze formule door de Hoge Raad overgenomen. De Hoge Raad heeft tevens de term doel van de norm geïntroduceerd. De formulering dat het bij de bepaling van de strekking van een norm aankomt op het doel van die norm en de strekking ervan, geeft het gevoel te maken te hebben met een soort cirkelredenering en lijkt minder doordacht.
In Pfizer/Cosmétique2 en Astrazeneca/Amicon3 heeft de Hoge Raad – aansluitend bij zijn herformulering van de regel van art. 6:163 BW als positief vereiste – geoordeeld dat geen geldend recht is de opvatting dat een norm in beginsel strekt ter bescherming van allen die als gevolg van overtreding daarvan schade kunnen lijden en wel ter bescherming tegen alle schade die aan de dader op de voet van art. 6:98 BW als een gevolg van die overtreding kan worden toegerekend.
De jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 6:163 BW laat zich in drie hoofdcategorieën indelen. In de eerste plaats is er jurisprudentie waarin wordt geoordeeld dat een gelaedeerde burger aan een door een overheidsinstantie geschonden norm geen aanspraak op schadevergoeding tegenover die overheidsinstantie kan ontlenen en dat ongeacht de met die norm beoogde bescherming. Deze jurisprudentie bespreek ik in nr. 132 t/m 142 en in § 5.3. In de tweede plaats is er jurisprudentie waarin de met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogde bescherming wordt uitgelegd en aansprakelijkheid aan de hand daarvan al dan niet wordt begrensd. Deze jurisprudentie bespreek ik in § 8.3. In de derde plaats is er jurisprudentie waarin het relativiteitsvereiste wordt gebruikt om algemene, niet aan de met de geschonden norm daadwerkelijk beoogde bescherming ontleende, grenzen aan aansprakelijkheid tot uitdrukking te brengen. Het gaat hierbij om het voorkomen van de doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, het voorkomen van de doorkruising van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde en het voorkomen van de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling (nr. 143 t/m 151 in hoofdstuk 13). Verder gaat het hierbij om het begrenzen van aansprakelijkheid indien de gelaedeerde in pari delicto verkeert of schade heeft geleden in een niet-rechtmatig belang (nr. 120 t/m 131 en hoofdstuk 14).
110. Ter zake van de schadetoerekening stelt de Hoge Raad in zijn rechtspraak veelal de formule van art. 6:98 BW voorop:
“In het kader van de toerekening als bedoeld in art. 6:98 BW gaat het om de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”4
De Hoge Raad blijft hier dus dicht bij de bewoordingen van de wet. Recent heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de vraag of de schade kan worden toegerekend:
“(…) alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder – zoals art. 6:98 BW bepaalt – de aard van de aansprakelijkheid en van de schade”.5
De jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 6:98 BW laat zich verder ook in drie categorieën indelen. In de eerste plaats is er een aanzienlijke hoeveelheid rechtspraak over situaties waarin een verkeers- of veiligheidsnorm is geschonden en ten gevolge daarvan letsel is ontstaan. Voor deze situatie heeft de Hoge Raad regels gegeven die in het algemeen ertoe leiden dat, ongenuanceerd samengevat, de schade van een primair gelaedeerde kan worden toegerekend. Deze jurisprudentie bespreek ik nader in § 4.5.2. In de tweede plaats is er de jurisprudentie waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat, omdat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, de schade kan worden toegerekend. Deze rechtspraak behandel ik in § 7.2.2. In deze beide gevallen is sprake van betrekkelijk heldere regels, waarmee zich casus laten oplossen. In de derde plaats is er de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin hij uitdrukkelijk of meer impliciet bevestigt dat een bepaalde omstandigheid kan worden meegewogen bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van schade. Deze rechtspraak bespreek ik in § 4.3 t/m 4.7.