Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.4
2.4 Causaliteitsleer of aansprakelijkheidsleer?
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588621:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zevenbergen 1917, p. 46, 66, 69, 71.
Zevenbergen 1917, p. 46, 69, 71.
Van Brakel 1934a, nr. 12702/1; Van Brakel 1948, p. 613.
Vigelius 1935, p. 845, 852.
Meijers 1935, p. 554, 570.
Asser/Losecaat Vermeer 3-I 1939, p. 202, 203; Asser/Losecaat Vermeer & Rutten 3-I 1958, p. 217, 218.
In de Duitstalige en Engelstalige literatuur is eenzelfde verschijnsel zichtbaar: zie Von Caemmerer 1956, p. 12; Lange 1957, p. 115; Lorenz 1999, p. 253; en Koziol 2012, p. 271. Zie ook: Cane 2002, p. 129; Stapleton 2001, p. 146; Stapleton 2003, p. 411; Stapleton 2008, p. 80; Wright 1988, p. 1011 e.v.; Wright 2001, p. 1080 e.v.; Wright 2008, p. 165. Een uitzondering vormen Hart & Honoré 1985 die gepoogd hebben om uit het gebruik van causale termen in het normale spraakgebruik causale problemen te onderscheiden van problemen van ‘policy’. Dat deze opzet niet geslaagd is, wordt mijns inziens aangetoond door Stapleton 2001, p. 158 t/m 166 en Wright 2008, p. 165 t/m 180.
Köster 1963, p. 15.
Schoordijk 1979, p. 235.
Langemeijer 1981, p. 120.
Vigelius 1935, p. 852.
Zie nader § 2.5.4.
Asser/Losecaat Vermeer 3-I 1939, p. 202, 203. Het betoog is aanvankelijk door Rutten gehandhaafd in Asser/Losecaat Vermeer & Rutten 1958 3-I, p. 218.
Zie Wolfsbergen 1927, p. 463 e.v. en Wolfsbergen 1946, p. 19 e.v.; Dooyeweerd 1928 en Dooyeweerd 1950, Schut 1963, p. 70 en Van Eikema Hommes 1975, p. 91 e.v. Van Schellen 1972 heeft zijn dissertatie Juridische causaliteit genoemd en hangt de opvattingen van Wolfsbergen aan, maar verdedigt (p. 126, 127) uiteindelijk de leer van de redelijke toerekening waarin het volgens hem aankomt op de “billijkheid in concreto”.
57. Het denken in tamelijk obscure causaliteitsnoties (oorzaak versus aanleiding, werkelijke oorzaak versus door iets anders veroorzaakt) zoals dat in de negentiende eeuw gebeurde, maakte in het begin van de twintigste eeuw plaats voor het onderscheiden van feitelijke causaliteit en het vereiste dat de schade kan gelden als het naar ervaringsregels redelijkerwijs te verwachten gevolg van de onrechtmatige daad of van de wanprestatie.
58. De meeste auteurs die over het onderwerp schreven begonnen zich te realiseren dat het bij die tweede eis in het geheel niet om een causaliteitskwestie ging. Treffend schreef Zevenbergen in 1917:
“Intusschen, men kan toch moeilijk de oogen sluiten voor het feit, dat het verantwoordelijk-zijn voor de (veroorzaakte) gevolgen, nu eenmaal iets anders is, dan het veroorzaken dier gevolgen. (…) De leer der condicio sine qua non, als leer der veroorzaking, is theoretisch de enige juiste (…) de leer der adaequate veroorzaking [heeft] met het leerstuk der causaliteit niets (…) uit te staan. (…) Het beginsel der adaequiteit is een nadere voorwaarde voor de aansprakelijkheid.”1
Uitgaande van deze opvatting stelde Zevenbergen zich de vraag welke veroorzaakte schade kan worden “toegerekend”.2 De opvatting van Zevenbergen werd vervolgens ook door Van Brakel,3 Vigelius,4 Meijers5 en Losecaat Vermeer6 verdedigd,7 en later ook door Köster,8 Schoordijk9 en Langemeijer10 aangehangen. Vigelius schreef beeldend dat de adequatie-eis een nadere voorwaarde voor aansprakelijkheid is die “onder de dekmantel der causaliteit [art. 1401 (oud) BW wordt] binnengesmokkeld”.11 Meijers en Vigelius bepleitten om de adequatie-eis in te bedden in het door art. 1401 (oud) BW gestelde vereiste van schuld aan de schade.12 Losecaat Vermeer betoogde in het Asser-deel over het verbintenissenrecht dat helderder is om de aanvullende eisen aan aansprakelijkheid, waaronder de adequatie-eis, buiten art. 1401 (oud) BW om te stellen.13
Enkele andere auteurs meenden dat het recht een eigen causaliteitsbegrip kent. Deze auteurs bedoelen hiermee niet alleen dat het causaliteitsvereiste zoals dat door verschillende aansprakelijkheidsgrondslagen wordt gesteld, dient te worden uitgelegd en dat uiteindelijk een juridische aangelegenheid is; dat is iets wat door geen enkele auteur wordt betwist. Deze auteurs gingen verder en meenden dat het recht een zekere eenvormige eigen causaliteitsnotie kende waarin zowel de feitelijke causaliteit als de, in de latere gebruikelijk geworden terminologie, toerekeningsproblematiek is begrepen. Tot heldere, bruikbare theorievorming heeft dit mijns inziens niet geleid. Op deze tamelijk marginale opvatting ga ik niet verder in.14
59. In § 2.6.3 zullen wij zien dat het driemanschap in zijn ontwerp voor boek 6 van het burgerlijk wetboek de opvatting van de eerstgenoemde auteurs volgde en het de toets waarin de waarschijnlijkheid en voorzienbaarheid van de schade beslissend werd gemaakt, geheel losmaakte van het causaliteitsvereiste.