De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/2.3.2:2.3.2 De verhouding tussen de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/2.3.2
2.3.2 De verhouding tussen de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583463:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a.: Van der Heijden & Noordam 2001, p. 85, waar zij aangeven dat het beginsel ongelijkheidscompensatie verbonden is met het beschermingsbeginsel. Nederlandse Juristen-Vereniging 2002, p. 27.
Zie hierover tevens: Zekić 2011, p. 10. Roozendaal signaleert dat het begrip ongelijkheidscompensatie ook wel wordt gebruikt in de betekenis van ‘werknemersbescherming’, zie: Roozendaal 2011, p. 374.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie nauw verwant zijn, zijn dit – net als de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie – geen synoniemen.1 In de arbeidsrechtelijke literatuur worden de beginselen in elkaars verlengde geplaatst, veelal zonder dat daarbij expliciet wordt stilgestaan bij de onderlinge verhouding tussen de twee beginselen.2 Voor dit onderzoek is evenwel van belang deze verhouding nader te duiden, met name ter rechtvaardiging van de centrale positie die het beginsel ongelijkheidscompensatie (in plaats van bescherming) in dit onderzoek inneemt.
Nu de (in paragraaf 2.2.2 besproken) theorie van Nieuwenhuis omtrent de verschillende betekenissen van het begrip ‘beginsel’ inzicht bood in de verhouding tussen de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie, is het interessant te onderzoeken hoe deze theorie uitwerkt op de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie. Als gezegd maakt Nieuwenhuis een onderscheid tussen de globale en de toegespitste betekenis, waarbij een beginsel met een globale betekenis een ‘belangrijke eigenschap’ duidt, en een beginsel met een toegespitste betekenis kan worden gebruikt ter rechtvaardiging van regels en beslissingen. In eerste instantie lijkt voor de hand te liggen het beschermingsbeginsel onder de eerstgenoemde categorie te scharen. Dit beginsel omschrijft immers een belangrijk kenmerk van het arbeidsrecht, namelijk dat het arbeidsrecht er mede toe strekt bescherming aan de werknemer te bieden. Het beginsel ongelijkheidscompensatie kan juist worden geduid als een beginsel met een toegespitste betekenis: dit beginsel vormt een rechtvaardiging voor het dwingendrechtelijke karakter van het arbeidsrecht, en de beperking van de contractsvrijheid en partijautonomie die dit oplevert. Dit zou betekenen dat het beschermingsbeginsel het uitgangspunt vormt, en dat de ongelijkheidscompensatie daaruit voortvloeit. Toch valt er het nodige af te dingen op deze redenering. Zo is het ook mogelijk het beschermingsbeginsel als toegespitst beginsel uit te leggen, nu in zekere zin (ook) vanuit de beschermingsgedachte wordt gerechtvaardigd dat het arbeidsrecht in overwegende mate uit dwingend recht bestaat. Op die manier wordt voorkomen dat partijen de bescherming die uit het arbeidsrecht voortvloeit kunnen wegcontracteren, en wordt de werknemer in feite tegen zichzelf beschermd. Wanneer het beschermingsbeginsel ook als rechtvaardiging wordt uitgelegd, biedt de theorie van Nieuwenhuis dus geen uitsluitsel over de verhouding tussen de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie.
Toch meen ik dat de eerstgenoemde uitkomst van de theorie van Nieuwenhuis – waarbij het beginsel ongelijkheidscompensatie in het verlengde van het beschermingsbeginsel ligt – de juiste is. Dat het beschermingsbeginsel ook kan worden gebruikt als rechtvaardiging voor het dwingendrechtelijke karakter van het arbeidsrecht, neemt niet weg dat het beginsel ook een belangrijke eigenschap van het arbeidsrecht omschrijft, zodat dit beginsel in ieder geval (ook) een globale betekenis heeft. Voor zover deze toepassing van de theorie van Nieuwenhuis niet overtuigt, merk ik op dat ook een nadere inhoudelijke beschouwing van de twee beginselen mijns inziens tot de hier bepleite uitkomst leidt. Uit het beschermingsbeginsel vloeit zoals gezegd voort dat het arbeidsrecht ertoe strekt de werknemer als zwakkere contractspartij te beschermen, waarmee dit beginsel een doel van het arbeidsrecht omschrijft. Het beginsel ongelijkheidscompensatie drukt uit dat de werknemer als zwakkere contractspartij wordt gecompenseerd voor de ongelijke positie die hij ten opzichte van de werkgever inneemt, waarmee de werknemer wordt beschermd tegen de eventuele nadelige gevolgen van die ongelijkheid. Met andere woorden: de bescherming die het arbeidsrecht beoogt te bieden, wordt gerealiseerd door middel van ongelijkheidscompensatie. Wanneer het beschermingsbeginsel als doel wordt omschreven, en het beginsel ongelijkheidscompensatie als het middel waarmee dit doel wordt gerealiseerd, dan ligt voor de hand aan te nemen dat het beginsel ongelijkheidscompensatie in het verlengde van het beschermingsbeginsel ligt.