Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/13.5
13.5 De eindconclusie over "regulatory competition" bij publicatieverplichtingen in het licht van de "law matters" these
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS579037:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering hierop in Nederland wordt overigens gevormd door de uitbreiding van het toepassingsbereik van de voorschriften die zien op het voorkomen van marktmisbruik waaronder de (toenmalige) artikelen 5:53, 5:56-5:60 en 5:64-5:66 van de Wft — tot andere dan gereglementeerde markten, zoals Altemext Amsterdam, in de Invoerings- en aanpassingswet Wft. Hierover Grundmann-van de Krol (2007a), p. 255. De uitbreiding in Nederland van het toepassingsbereik van de bepalingen die zien op het tegengaan van marktmisbruik, is door de wetgever gemotiveerd met het betoog dat '[o]m het vertrouwen van beleggers te waarborgen (...) het (...) van belang [is] om te voorzien in een adequate regeling ter voorkoming van het gebruik van voorwetenschap, niet alleen op de gereglementeerde markt' (vgl. Kamerstukken II, 2006-2007, 30 658, nr. 5, p. 16). De Engelse wet- en regelgever heeft er overigens niet voor gekozen om het toepassingsbereik van deze bepalingen uit te breiden tot andere effectenmarkten — zoals AIM — dan gereglementeerde markten.
Een tweede uitzondering, die strikt genomen niet (althans niet uitsluitend) publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen betreffen, is de door zowel de Nederlandse als de Engelse wet- en regelgevers gemaakte keuze om de initiële meldingsdrempels voor zeggenschaps- of kapitaalbelangen te verlagen (in Nederland blijkend uit het Wetsvoorstel Frijns).
Hetgeen geconcludeerd zou kunnen worden op basis van de onder druk staande concurrentiepositie van de Amerikaanse effectenbeurzen en het uitblijven van een ontwikkeling 'to the top' in de Europese Unie.
Of de marginale kosten van iedere nieuwe publicatieverplichting (zelfs al) hoger zullen liggen dan de marginale opbrengsten.
In die situatie zou een afname van reeds bestaande publicatieverplichtingen, op het oog een beweging 'to the bottom', er daarentegen eveneens toe bijdragen dat het optimum wordt bereikt (tot, hetgeen een contradictio in terminis lijkt, een beweging 'to the top' dus). Ik benadruk dat dit naar mijn mening niet opgaat voor de in dit hoofdstuk bekritiseerde aanpassing van het toepassingsbereik van de Nederlandse corporate govemance code. Deze voorzag reeds in afdoende mogelijkheden om de kosten van naleving ervan toe te snijden op de toepassing in individuele situaties.
De in de voorgaande paragrafen beschreven initiatieven van AIM en voornemens van de Nederlandse regering vormen een illustratie van de in het begin van dit hoofdstuk geplaatste opmerking dat verbetering van de bescherming van de juridische positie van (minderheids)aandeelhouders door middel van uitbreiding van publicatieverplichtingen1 niet de prioriteit lijkt te hebben van wet- en regelgever(s). Het beeld is echter diffuus.2 Naar mijn mening kan dan ook geconcludeerd worden dat voor "regulatory competition" tussen de lidstaten bij de publicatieverplichtingen slechts een beperkte rol is weggelegd. Van reële vooruitzichten op een toename van deze competitie lijkt geen sprake te zijn. En voor zover tussen lidstaten al concurrentie plaatsvindt — zo laten het (in ieder geval tijdelijke) succes van AIM en de bepaald niet steekhoudende rechtvaardiging(en) voor de voorgenomen aanpassing van het toepassingsbereik van de Nederlandse corporate governance code zien — leidt deze concurrentie doorgaans niet tot het opleggen van verdergaande publicatieverplichtingen. Als derhalve al een "regulatory competition" bij de publicatieverplichtingen plaats lijkt te vinden, dan tendeert dat niet (in alle opzichten) tot een "race to the top".
Bezien vanuit "law matters" these kan het uitblijven van een "race to the top" ook anders worden geduid. De "law matters" these is immers gebaseerd op de aanname dat — tot het optimum zal zijn bereikt — het versterken van de rechten van investeerders hoger (marginale) opbrengsten dan (marginale) kosten met zich brengt; hetgeen vervolgens tot uitdrukking zal komen in lagere financieringskosten voor de beursvennootschap. Dat het versterken van de rechten van investeerders door middel van wet- en regelgevende initiatieven niet kosteloos en onbeperkt mogelijk, maar een prijs kent, staat daarbij uiteraard niet ter discussie. Het lijkt er echter op dat door beursvennootschappen en investeerders die prijs hoger wordt ingeschat dan tot op heden uit onderzoek naar voren is gekomen of daarin wordt verondersteld. Een oorzaak hiervoor kan zijn dat in wet- en regelgeving ter verdere versterking van de rechten van investeerder waaronder de kosten voor de daarin opgenomen publicatieverplichtingen — de gepercipieerde of potentiële kosten een sterkere rol spelen dan in het thans bekende onderzoek tot uitdrukking komt.
Als beursvennootschappen en investeerders in werkelijkheid aan de gepercipieerde of potentiële kosten van wet- en regelgeving meer waarde toekennen dan verondersteld3 — deze kosten als het ware internaliseren — dan is dat het logisch is dat zich op het oog geen "race to the top" lijkt voor te doen. In een situatie waarin de publicatieverplichtingen optimaal zijn vormgegeven4 zal opleggen van nieuwe verplichtingen5 tot een beweging "over the top" leiden. Een toename van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen heeft dan tot gevolg dat de (marginale) kosten van die (nieuwe) verplichtingen boven de (marginale) opbrengsten uitstijgen. De "top" was reeds bereikt, alleen als zodanig (nog) niet herkend.
Of dát een conclusie is waarvoor, op basis van hetgeen in de voorgaande paragrafen en hoofdstukken is beschreven, voldoende onderbouwing bestaat durf ik te betwijfelen. Hiervoor is ten eerste vereist dat een beter inzicht ontstaat over de waarde die beursvennootschappen en investeerders in werkelijkheid toekennen aan alle kosten en opbrengsten die de publicatieverplichtingen meebrengen. In het volgende Deel van deze studie — Deel III — besteed ik hieraan aandacht.