Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.2.3:7.2.3 Belastingplicht van verenigingen en stichtingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.2.3
7.2.3 Belastingplicht van verenigingen en stichtingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610239:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 2 lid 1 onderdeel d Wet VPB 1969 is bepaald dat lichamen zoals verenigingen en stichtingen alleen belastingplichtig zijn voor zover zij een onderneming drijven. Ingevolge art. 4 onderdeel a Wet VPB 1969 wordt het in concurrentie treden met andere ondernemingen ook als het drijven van een onderneming aangemerkt. In verband met deze bepalingen is in de jurisprudentie aandacht besteed aan de belastingplicht van een ‘houdsterstichting’, waarbij ook is ingegaan op de financiële, organisatorische en economische verbondenheid van de stichting met de groep. Dit getuigt ook van het belang van verbondenheid.
In HR 1 maart 1989, nr. 25 329, BNB 1989/156, was sprake van een stichting die prioriteitsaandelen en de meerderheid van de gewone aandelen in een vennootschap hield. Voorts had zij een rekening-courantvordering op de vennootschap, en trad zij op als commissaris. Ondanks deze financiële, organisatorische en economische verbondenheid werd beslist dat de stichting geen onderneming dreef, en dus niet belastingplichtig was. In vergelijkbare zin is in Hof Arnhem 8 mei 2007, nr. 05/ 00357, V-N 2007/40.20, beslist dat een houdsterstichting niet belastingplichtig was. De omstandigheid dat de stichting een sturende en beleidsbepalende functie vervulde en een rentedragende vordering had op één van de groepsleden, leidde volgens het hof niet tot ondernemerschap.
Overigens lijkt deze problematiek veel op die van het ondernemerschap van houd-stervennootschappen voor de omzetbelasting. Zoals ik in hoofdstuk 8 uiteen zal zetten, is voor de omzetbelasting wel sprake van ondernemerschap indien een holding zich ‘moeit’ in de deelnemingen, dat wil zeggen, een sturende en beleidsbepalende functie heeft. Voor de vennootschapsbelasting is het blijkbaar niet voldoende dat sprake is van een ‘moeiende’ houdsterstichting. Naar mijn mening moet deze afwijkende behandeling worden verklaard vanuit de verschillende rechtskarakters van beide belastingen. Zoals is beschreven door Van Lindonk (1990), geldt voor lichamen als bedoeld in art. 2 lid 1 onderdeel d Wet VPB 1969 een materieel ondernemingsbegrip. Hiermee is het ondernemersbegrip enigszins beperkt. Bij het rechtskarakter van de omzetbelasting past daarentegen een ruime interpretatie van het ondernemersbegrip, zo merken Van Hilten en Van Kesteren (2007) op.