Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.4.2
III.4.2 Gewichtige redenen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377341:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken 28 746, nr. A (Gewijzigd Wv), p. 6. De personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid kent ook de partiële ontbinding door de rechter op grond van art. 820 lid 1 Wv Personenvennootschappen, welk lid luidt: 'De rechter kan op vordering van ieder der vennoten de vennootschap in haar geheel of ten aanzien van een of meer vennoten ontbinden wegens gewichtige redenen of op andere gronden die in de overeenkomst van vennootschap zijn voorzien.'
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-V11* (2010), nr. 219; en Kamerstukken 28 746, nr. 3 (MvT), p. 3132. Anders (en mijns inziens onjuist) Verhorst en Vetter (1996), p. 173-176.
Tot 1992 ging het om 'wettige redenen'. Van verschil in betekenis is geen sprake, zie ook Asser/Maeijer & Van Olffen 7-V11* (2010), nr. 219; en Losbl. Personenassociaties (Slagter), 1.V § 8, aant. 3.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-V11* (2010), nr. 219; en Kamerstukken 28 746 nr. 3 (MvT), p. 32.
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 220 en 227. Zie ook T&C (Blanco Fernandez), art. 7:820, aant. 1. De toerekenbaarheid kan wel een rol spelen bij een eventuele schadevergoedingsvordering, zie art. 820 lid 2 Wv Personenvennootschappen.
Art. 1684 (oud) BW luidde voor 1 januari 1992, voor zover hier van belang: `(...) zoo als, indien een andere vennoot niet aan zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te nemen (...).' Het tekortschieten in de nakoming van het vennootschapscontract vormt dus een gewichtige reden voor rechterlijke ontbinding.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 juni 1938, NJ 1941, 566; en Hof Den Haag 24 mei 1968, NJ 1969, 439 (Hoogendam). Zie ook een arbitraal vonnis 29 december 1972, NJ 1973, 452, waarin 'aanhoudende ongesteldheid' van een der vennoten leidde tot de duurzame ontwrichting van de verhouding tussen de vennoten en een reden voor ontbinding vormde.
HR 19 oktober 1990, NJ 1991, 21 (Akkoca), m.3.4. Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 219 (en ook Asser-Maeijer 5-V (1995), nr. 209 en 216) voor jurisprudentiële voorbeelden, waarbij de termijn 'vijandig' regelmatig valt. Zie ook Losbl. Personenassociaties (Slagter), I.V § 8, aant. 3. In een uitspraak uit 1917 (Rb. Amsterdam 22 augustus 1917, NJ 1918, p. 1083-1084) werd overwogen `dat het geen nader betoog behoeft, dat het plegen van overspel door den eenen vennoot met de echtgenoote van den medevennoot als een zoodanige handeling (die de samenwerking onmogelijk maakte, CB) moet worden aangemerkt'. De ontbinding wegens gewettigde redenen was gerechtvaardigd (na getuigenbewijs van het overspel).
Losbl. Personenassociaties (Slagter), I.V § 8, aant. 3. De grond voor ontbinding heeft slechts betekenis voor de regeling van de gevolgen van de ontbinding, zoals het toekennen van schadevergoeding, stelt Slagter.
Ondanks een verschil in taalkundige betekenis zie ik geen inhoudelijk verschil tussen uitstoting of uittreding op grond van gewichtige danwel gegronde redenen.
Zie de uitstotingsbepalingen in art. 334W.Venn. voor de BVBA en art. 636 W.Venn. voor de NV die geen publiek beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan. De uittreding staat in art. 340 resp. 642 W.Venn. Oorspronkelijk kende het Belgische wetsvoorstel eenzelfde uitstotingsgrond als die van 2:336 lid 1 BW. Aansluiting bij de gerechtelijke ontbindingsgrond 'wettige redenen' had echter de voorkeur van de Belgische wetgever. Zie Parl. St. Senaat, 1993-94, nr. 1086/2, p. 437.
Zie Hof van Cassatie 16 maart 2009, RW 2009/10 m.nt. H. Braeckmans. Het Hof van Cassatie bevestigde dat het aantonen van onrechtmatig handelen (van de gedagvaarde aandeelhouder in zowel een uitstotings- als uittredingsprocedure) niet is vereist. De aandeelhouder moet wel een verwijt gemaakt kunnen worden. De Belgische jurisprudentie vertoont op dit vlak een versnipperd beeld. In 2006 nam Van Gerven op grond van de door hem bestudeerde uitspraken nog aan dat onrechtmatig handelen niet is vereist, zie D. van Gerven, Kroniek vennootschapsrecht, TRV 2006, p. 547-548.
Bijvoorbeeld een minderheidsaandeelhouder die met zijn stemgedrag een voor de vennootschap noodzakelijke kapitaalverhoging tegenhoudt.
Over de doorwerking van de duurzame onenigheid op de vennootschappelijke verhouding, lijkt de rechtspraak in België enigszins verdeeld. Zie bijv. Voorz. Kh. Brussel 30 mei 2006, RABG 2009, 112, waarin werd geoordeeld dat voor uitsluiting vereist is dat de werking van de vennootschap werd lamgelegd en het doel niet meer verwezenlijkt kon worden.
Zie voor uitgebreide besprekingen van de invulling van het criterium gegronde redenen in de rechtspraak: Geens e.a. (2000), p. 442-448; Tilleman en Van Solinge (2000), p. 654-672 en p. 709723; en Braeckmans (2001), p. 1363-1367 en p. 1374-1377. D. van Gerven (Kroniek vennootschapsrecht 2008-2009, TRV 2009, p. 561) meent dat bij een procedure tot uittreding de gegronde redenen minder streng worden beoordeeld dat in geval van een uitstotingsvordering. Hij wijst op de zwaarwichtige wanprestatie van een aandeelhouder, fundamentele en duurzame onenigheid en misbruik van meerderheid als vormen van gegronde redenen. Mijns inziens zijn dit juist 'strenge vormen' van gegronde redenen en is van een onderscheid tussen de Belgische uitstoting en uittreding op dit punt dus geen sprake.
Zie ook Bulten (2005), p. 46.
Dit geldt ook voor het criterium in de Belgische geschillenregeling. Zie bijv. de in België veelbesproken uitstotingsuitspraak inzake de IJssalon: Voorz. Kh. Tongeren 24 juni 1997, TRV 1999, 205 m.nt. J. Vananmye.
Anders Willems (2008), p. 81 en 88. Hij vindt dat de criteria voor uitstoting en uittreding niet te moraliserend mogen zijn, zoals nu nog het geval is. Een aandeelhouder een verwijt moeten maken (voor toewijzing van de vordering) is volgens Willems lastig. De huidige wettelijke criteria zijn slechts bruikbaar door de creatieve toepassing door de rechter, stelde hij. Deze creativiteit mag in de praktijk wenselijk zijn, tot rechtszekerheid een eenduidige rechtspraak leidt het niet altijd. Ik ben voor een wettelijke norm die in de praktijk bruikbaar is en waarbij de omstandigheden van het geval (met een goede en afgewogen motivering) de norm inkleuren, zonder dat van een verrassingsbeslissing door al te creatieve rechters sprake is. Ontbreekt de verwijtbaarheid, dan lijkt het me 'lastig' aan een aandeelhouder uit te leggen waarom hij toch zijn aandelen verliest.
Zie enigszins kritisch over het feit dat een fout niet is vereist en duurzame onenigheid dus voldoende is voor uitsluiting: Geens e.a. (2000), p. 443 en 445. Zie ook Braeckmans (2001), p. 1366: 'Probleem is wel dat de rechter in bepaalde gevallen zal moeten nagaan wie aan de basis van de onenigheid ligt.' De kritiek op de Belgische geschillenregeling kwam eveneens naar voren in gesprekken met Belgische advocaten, waarover § 1.3.2.
De wetgever vond — zie § 111.1.2 — dat uitstoting en uittreding niet lichtzinnig moest kunnen gebeuren. Zo was onverenigbaarheid van karakter onvoldoende voor een rechterlijk bevel tot overdracht van aandelen. Dit doet vermoeden dat de gewichtige redenen die grond zijn voor (partiële) ontbinding van de personenvennootschap, bij de kapitaalvennootschappen gewogen en te licht bevonden zijn. Op grond van art. 7A:1684 lid 1 BW ontbindt de rechter een maatschap op vordering van een vennoot op grond van gewichtige redenen. Via de schakelbepaling in art. 15 WvK geldt deze norm voor rechterlijke ontbinding ook voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Het wetsvoorstel Personenvennootschappen handhaaft in art. 820 lid 1 het criterium en regelt dat de ontbinding ten aanzien van één der vennoten mogelijk is.1 Dit lijkt op uitstoting of uittreding, al naar gelang ten aanzien van wie de overeenkomst wordt ontbonden; de eisende (uittreding) of een andere vennoot (uitstoting). Het thans nog geldende art. 7A:1684 BW zwijgt over gedeeltelijke ontbinding. Kent de vennootschapsakte een voortzettingsbeding, dan is 'uitstoting' mogelijk.2
Ik ga na of deze norm voor de geschillenregeling bruikbaar is. Het is een criterium dat al decennia in de wet staat en van fundamentele kritiek is geen sprake.3 Kennelijk roept de norm geen problemen op in een samenwerkingsverband waarbij de personen nauw betrokken zijn en elkaar kennen. In de praktijk is de stap van een personenvennootschap naar een BV niet groot. Ook bij de BV zijn de personen vaak in meer dan één hoedanigheid betrokken, zoals de aandeelhouders die tevens bestuurder of werknemer zijn.
Een gewichtige reden is aanwezig indien alle omstandigheden in aanmerking zijn genomen en redelijkerwijs niet langer van een of meer vennoten kan worden gevergd om het vennootschappelijk verband in zijn geheel of ten aanzien van een andere vennoot voort te zetten.4 Of, anders geformuleerd: de gewichtige reden is een samenstel van omstandigheden dat verwezenlijking van het vennootschappelijke doel voor de vennoot die ontbinding vordert onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. Het is hierbij niet van belang of het bestaan van de reden aan iemand kan worden toegerekend.5
Uit de oude wettekst dateren als voorbeelden van wettige of gewichtige redenen de wanprestatie en overmacht.6 Een grote onenigheid tussen vennoten, waardoor samenwerking niet meer geschiedt, is de meest door de rechter toegepaste reden voor de ontbinding. Hieronder valt ook de onmogelijke samenwerking wegens incompatibilité d'humeur.7 Bij de onverenigbaarheid van karakters is vaak niet vast te stellen bij wie de schuld of de oorzaak van deze gewichtige reden ligt. Is de vennoot zelf de veroorzaker van de reden door lange afwezigheid in verband met ziekte, dan kan hij zelf de vordering instellen omdat hem in zo'n geval geen verwijt kan worden gemaakt. Doet een vennoot de vennootschap concurrentie aan, dan is dit eveneens een gewichtige reden.8
Slagter ziet het eenvoudig: reeds het feit dat een ontbindingsvordering door een vennoot wordt ingesteld bewijst al dat de samenwerking niet meer vlot. Beëindiging is dan beter.9
De in de praktijk veelvuldig toegepaste Belgische geschillenregeling kent als norm voor uitstoting de gegronde redenen.10 De uittreding kent dezelfde grondslag, met dien verstande dat iedere vennoot 'van de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben' overname van zijn aandelen kan vorderen.11 Voor toewijzing van de uittredingsvordering geldt dat de gegronde redenen van dien aard moeten zijn dat van de vennoot die wenst uit te treden, redelijkerwijs niet langer kan worden verlangd vennoot te blijven. Een fout of onrechtmatig handelen is niet vereist, maar de oorzaak van de gegronde redenen moet bij de gedaagde aandeelhouder kunnen worden gelegd.12
Inmiddels zijn in de Belgische literatuur drie categorieën van gegronde redenen geformuleerd. De eerste categorie behelst het misbruik van de positie van de aandeelhouder. Een minderheidsaandeelhouder die misbruik maakt van zijn positie, zal geconfronteerd kunnen worden met zijn uitstoting.13 Omgekeerd zal misbruik van meerderheidspositie aanleiding kunnen geven tot uittreding. Een tweede groep wordt gevormd door een tekortkoming van de aandeelhouder die wordt uitgestoten, of moet overnemen van de uittredende aandeelhouder. De tekortkoming dient voldoende ernstig te zijn. In de Belgische geschillenregelingpraktijk wordt 'deloyale concurrentie' regelmatig als ernstige tekortkoming die een uitstoting rechtvaardigt, aangemerkt. Ik merk op dat bij de huidige Nederlandse regeling concurrerende gedragingen sec geen grond voor uitstoting kunnen vormen. De laatste categorie in België is de duurzame en ernstige onenigheid. Hierbij is een verlamming van de vennootschap als gevolg van de onenigheid niet nodig, het bemoeilijken van het functioneren van de vennootschap is voldoende.14 Deze drie categorieën gelden zowel voor de uitreding als de uitstoting.15
Is de norm 'gewichtige redenen' bruikbaar voor de uitstoting en uittreding bij een kapitaalvennootschap? De rechter beoordeelt slechts de feitelijke stand van zaken. Hij kan vaststellen dat de verhouding tussen de twee aandeelhouders zodanig duurzaam ontwricht is, dat van samenwerking geen sprake meer is. Dit is aan te merken als een gewichtige reden, op grond waarvan bijvoorbeeld de uitstotingvordering toewijsbaar is. Stellen de aandeelhouders over en weer de uitstoting in, dan speelt de toerekenbaarheid van de reden wel een rol. Als steun dient dan mogelijk het vennootschappelijk belang: met wiens uitstoting wordt dit belang het meest gediend?16
Toepassing van het criterium gewichtige redenen brengt mee dat niet vereist is dat de aandeelhouder het ontstaan ervan is aan te rekenen. Het feit dat er een geschil is, is voldoende.17 Sterker nog: indien een van de aandeelhouders aangeeft dat wat hem betreft er onenigheid is en hij dus niet meer door één deur kan met de ander, zou de rechter op grond van gewichtige redenen de uitstoting of uittreding toe moeten wijzen. Dit gaat volgens mij te ver. Voor toewijzing van de gedwongen overdracht moet (een vorm van) verwijtbaarheid aanwezig zijn.18 Het enkele `stellen dat' is onvoldoende. Het is in dit verband niet opvallend dat de Belgische geschillenregeling als kritiek kent dat de regeling als dreigement te gebruiken is. Zijn de aandeelhouders in een stevige discussie verwikkeld en is niet direct een oplossing voorhanden, dan kan ook bij wijze van pressiemiddel de uitstotings- of uittredingsvordering worden ingesteld, indien een aandeelhouder weigert (direct) water bij de wijn te doen.19
De gedachte van de wetgever dat de norm voor uitstoting en uittreding niet te lichtvaardig moet zijn, is mijns inziens thans nog steeds van belang. De aandeelhouders hebben er om welke reden ook voor gekozen samen te werken in een kapitaalvennootschap. Dit heeft voordelen, zoals de beperking van de aansprakelijkheid. De personenvennootschap is uiteindelijk een contractuele relatie, een bijzondere overeenkomst met een grote mate van inrichtingsvrijheid. De beperkte aansprakelijkheid kennen de vennoten van een personenvennootschap als een gevolg van die vrijheid vervolgens niet. Er geldt dus dat partijen kunnen kiezen hoe de samenwerking vorm wordt gegeven. Voor een BV (of besloten NV) zijn er striktere, dwingendrechtelijke regels. De facto zullen de natuurlijke personen mogelijk geen verschil voor ogen hebben gehad en voor hun samenwerking de best passende juridische jas hebben aangetrokken. De mate van vrijheid die de samenwerkende personen kiezen, en dus de keuze tussen 'vennoten' en 'aandeelhouders', heeft als consequentie dat de norm voor gedwongen scheiding door partiële ontbinding of gedwongen aandelenoverdracht niet dezelfde kan zijn.
De gewichtige redenen van art. 7A:1684 BW (en art. 820 Wv Personenvennootschappen) zijn na mijn weging dus te licht bevonden om als criterium te dienen voor de uitstoting en uittreding.