Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.2.2
10.2.2 Waarom is afstemming gewenst?
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258656:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.M. Jovanovich, Customs Valuation and Transfer Pricing: Is it possible to harmonize Customs and Tax Rules? (2nd edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2017, p. 7-8.
L. Ping, Transfer Pricing and Customs Valuation: Exploring Convergence, GTCJ 2(3), p. 119.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 5 en J.M. Jovanovich, Customs Valuation and Transfer Pricing: Is it possible to harmonize Customs and Tax Rules? (2nd edition), Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2017, p. 16-17.
CBSA, Transaction Value Method for Related Persons (17 september 2015), Memorandum D13-4-5.
S. Ibáñez Marsilla, Towards customs valuation compliance through corporate income tax, World Customs Journal 5(1), p. 77-84.
Door een toename aan internationale goederenstromen en omdat in toenemende mate intragroepstransacties ten grondslag liggen aan deze internationale goederenstromen, moet voor het beprijzen van een steeds groter aantal transacties een ‘zakelijkheidstoets’ worden uitgevoerd. Immers, in een dergelijk geval moet voor de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen worden aangetoond dat de prijs niet is beïnvloed (onderdeel 7.5.5) en moeten de interne verrekenprijzen overeenkomstig het arm’slength-beginsel worden vastgesteld (onderdeel 10.3.2). Het uitgangspunt van de zakelijkheidstoets is in beide gevallen dat een prijs tot stand komt die ook zou zijn vastgesteld indien partijen onafhankelijk van elkaar waren. Gelet op dit gezamenlijke uitgangspunt, zou de uitkomst van de zakelijkheidstoets zoveel mogelijk gelijk moeten zijn.1 Dit komt ook tegemoet aan elementen van het toetsingskader. Indien de uitkomsten bij de uitvoering van de zakelijkheidstoets namelijk verschillen, sterkt dat het vermoeden dat één van de prijzen berust op een arbitraire of fictieve waarde, wat afbreuk doet aan de neutraliteit van het douanewaardesysteem. Een zekere mate van consistentie in de toepassing van de zakelijkheidstoets bij het beprijzen van intragroepstransacties zou derhalve gewenst zijn. Ook vergroot een verdere afstemming de eenvoud van het waarderen van intragroepstransacties en beantwoordt afstemming aan de wijze waarop interne verrekenprijzen nu al in de handelspraktijk worden gebruikt bij de vaststelling van de transactiewaarde bij intragroepstransacties. Een en ander biedt daarnaast mogelijkheden tot voorafgaande afstemming tussen de betrokken partijen zodat zekerheid bestaat over de financiële gevolgen, wat tijd- en kostenbesparing met zich brengt en eventuele beboetbare of strafbare feiten voorkomt. Afstemming zorgt daarmee ook tot een rechtvaardiger systeem. Tot slot is het handhaven van twee afzonderlijke waarderingssysteem kostbaarder qua handhaving, dan twee waarderingssystemen die in hoge mate op elkaar zijn afgestemd.2
Een en ander roept de vraag op of een gezamenlijk waarderingssysteem kan worden ontwikkeld voor de prijsstelling van intragroepstransacties. De veelvoud aan verschillende instrumenten (nationale belastingwetten, belastingverdragen, de OESO-richtlijnen en de CVA) en de complexe wetgevingsprocessen die doorlopen moeten worden om deze instrumenten aan te passen, lijken hieraan in de weg te staan.3 Met name het feit dat de douanejurisdicties verplicht zijn om de CVA te implementeren in hun eigen douanewetgeving en het er niet naar uitziet dat de methodologie die aan de CVA ten grondslag ligt op korte of de middellange termijn zal worden aangepast, zou verhinderen dat een gezamenlijk waarderingssysteem kan worden ontwikkeld. Dat neemt niet weg dat op andere wijze nadere afstemming tot stand kan worden gebracht. Zo accepteert bijvoorbeeld de Canada Border Services Agency dat voor douanedoeleinden de prijs van de ingevoerde goederen tot stand komt aan de hand van één van de verrekenprijsmethoden zoals uiteengezet in de OESO-richtlijnen (onderdeel 10.4.3.2).4 In Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten bestaan daarnaast reconciliatieprogramma’s die importeurs in staat stelt om op een later moment aanvullend aangifte te doen voor gegevens die op het moment van invoer nog onbekend zijn. Deze programma’s zijn speciaal ontworpen om retroactieve verrekenprijsaanpassingen in aanmerking te nemen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde (onderdeel 10.4.3.3). In Europeesverband ontbreken dit soort initiatieven tot nadere afstemming vooralsnog. Zoals in onderdeel 10.5.3.1 uiteengezet, leidt dat in Europeesrechtelijk verband tot een lappendeken aan verschillende, tegengestelde en onduidelijke opvattingen over de invloed van de vaststelling van interne verrekenprijzen op de vaststelling van de douanewaarde. Net als Ibáñez Marsilla ben ik derhalve voorstander om op normatieve wijze in plaats van interpretatieve wijze afstemming van de vaststelling van de douanewaarde op de vaststelling van interne verrekenprijzen te bewerkstelligen, omdat de normatieve wijze van afstemming meer rechtszekerheid biedt.5 Bij de interpretatieve wijze zijn het namelijk de belasting- of douaneautoriteiten en, in voorkomend geval, de rechtelijke macht die hun oordeel geven over in hoeverre de vaststelling van interne verrekenprijzen invloed heeft op de vaststelling van de douanewaarde. Hierdoor komt de uniforme uitleg van de douanewaardebepalingen in het geding. De nadere afstemming kan derhalve het beste via een meer normatieve wijze worden bereikt door wetsbepalingen of richtlijnen aan het DWU-wetgevingspakket toe te voegen; dit sterkt de uniformiteit van het douanewaardestelsel in de Europese Unie en biedt (daarmee) meer rechtszekerheid. Ik zal hier in onderdeel 10.7 nader op ingaan als ik analyseer op welke wijze vanuit Europeesrechtelijk perspectief de vaststelling van de transactiewaarde bij intragroepstransacties nader afgestemd kan worden op de vaststelling van interne verrekenprijzen.