Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.4.2:5.4.2 Bestanddeelvorming en natrekking
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.4.2
5.4.2 Bestanddeelvorming en natrekking
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644987:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd is er bij de totstandkoming van het BW in 1992 bewust voor gekozen om de reikwijdte van de natrekkingsregels zo min mogelijk te beperken. Onder het OBW was de afweging een andere. Daarin werd oorspronkelijk een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen, bijzaken en zaken die tijdelijk met een andere zaak waren verbonden (hulpzaken). Deze verschillende groepen “zaken” lijken op de verschillende typen “bestanddelen” uit het Duitse recht. Net als de wesentliche Bestandteile verloren de bestanddelen hun zelfstandigheid, en net als de unwesentliche Bestandteile konden de bijzaken deze zelfstandigheid behouden. Voorts leek voor het OBW te gelden dat de zaken die tijdelijk waren verbonden met andere zaken, eveneens hun zelfstandigheid behielden, net als bij de Scheinbestandteile in het BGB. Anders dan in het BGB ontbraken in het OBW specifieke wetsartikelen over de verschillende groepen “zaken”. Het resultaat hiervan was dat over het bestaan van bij- en hulpzaken veel discussie bestond. Onder invloed van literatuur en rechtspraak zijn deze categorieën (voor zover ze al bestonden) afgeschaft, waardoor het onderscheid tussen verschillende onderdelen van een zaak is weggevallen.
Oorspronkelijk gold onder het OBW de “Franse leer” die inhield dat partijen een bepaalde mate van vrijheid hadden om de natrekkingsregels al dan niet van toepassing te verklaren. De regels omtrent natrekking waren derhalve van regelend recht. Een erfpachter kon bijvoorbeeld aangeven dat de door hem gebouwde schuur aan hem toebehoorde en niet aan de grondeigenaar met als argument dat de schuur ten dienste stond aan zijn erfpachtrecht en niet aan de grond. Dezelfde opvatting loopt parallel met het Duitse recht, doordat de schuur als een Scheinbestandteil wordt gezien (§95 BGB). Onder invloed van wederom rechtspraak en literatuur verdween de partijvrijheid. Van belang was of een zaak naar verkeersopvatting onderdeel ging uitmaken van een andere zaak. De bescherming van de belangen van een derde te goeder trouw stond meer en meer centraal. De ontwikkeling van regelend recht naar dwingend natrekkingsrecht, heeft geleid tot de natrekkingsregels die thans gelden in het BW.