Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.2
6.4.2 De woonplaats van een natuurlijk persoon
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397633:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
L.A. de Blieck e.a., a.w., blz. 54.
C. van Raad/F.P.G Pötgens en G.T.W. Janssen, a.w., paragraaf 3.2.4.B, d.
HR 1 juni 1960, nr. 14 282, BNB 1960/186.
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1979, nr. 19 112, BNB 1979/116 en HR 15 december 1993, nr. 29 296, FED 1994/72.
A.C.G.A.C. de Graaf, P. Kavelaars en A.J.A. Stevens, a.w., blz. 19.
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1979, reeds aangehaald, HR 3 oktober 2003, nr. 37 513, BNB 2004/264 en Hof Amsterdam 20 juni 2003, nr. 02/3356, VN 2003/52.9. In een uitspraak van Hof Amsterdam 21 augustus 2003, nr. 01/4226, VN 2004/7.4 werd dit feitelijk gebruik aannemelijk gemaakt aan de hand van water-, gas- en elektriciteitsverbruik.
HR 9 juni 1976, nr. 17 273, BNB 1975/28. Hof Arnhem 21 juli 1983, nr. 2624/1981, VN 1985, blz. 752 hechtte in een dergelijke situatie belang aan het feit dat de woning werd verhuurd met een opzegtermijn van twee maanden.
Zo bleef in de zaak van HR 9 juni 1976, nr. 17 851, BNB 1976/186 de vrouw bij het bevolkingsregister in Nederland ingeschreven, omdat anders de greep op de woning verloren zou worden. In de zaak van de Hoge Raad van 4 juni 1969, nr. 16 137, BNB 1969/213 zegde belanghebbende zelfs zijn dienstbetrekking voortijdig op en keerde hij terug uit Spanje, omdat de gemeente Den Haag zijn woonruimte dreigde te vorderen.
A.C.G.A.C. de Graaf, P. Kavelaars, A.J.A. Stevens, a.w., blz. 19.
Hof Arnhem 22 maart 1983, nr. 1294/1980, VN 1984, blz. 1635.
Vgl. HR 14 maart 1979, reeds aangehaald, HR 15 december 1993, reeds aangehaald, Hof Den Haag 30 mei 2000, nr. 97/2153, VN 2000/44.13 en Hof Den Haag 2 november 2004, nr. 02/0946, VN 2005/8.1.6.
L.A. de Blieck e.a., a.w., blz. 54.
Vgl. Hof Arnhem 24 januari 2003, nr. 99/3618, VN 2003/12.3.1.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, nr. 17 273, BNB 1975/28 en HR 9 juni 1976, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, reeds aangehaald, HR 4 juni 1969, reeds aangehaald, HR 2 november 1994, nr. 29 128, FED 1995/44 en Hof Den Haag 2 november 2004, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, reeds aangehaald en Hof Den Haag 2 november 2004, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 15 december 1993, reeds aangehaald, HR 2 november 1994, reeds aangehaald, HR 3 januari 2001, nr. 35 907, BNB 2001/91 en Hof Amsterdam 20 juni 2003, reeds aangehaald.
HR 14 maart 1979, reeds aangehaald.
HR 14 maart 1979, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1979, reeds aangehaald en Hof Amsterdam 21 augustus 2003, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 21 juli 1983, reeds aangehaald en Hof Amsterdam 20 juni 2003, reeds aangehaald.
HR 2 november 2004, reeds aangehaald en Hof Arnhem 18 februari 2005, nr. 03/1379, VN 2005/29.1.2.
HR 3 januari 2001, reeds aangehaald.
Hof Amsterdam 3 april 2001, nr. 99/3210, VN 2001/57.5.
Hof Den Haag 2 november 2004, reeds aangehaald.
Zie ook E.A. Brood, Compendium van het Nederlands internationaal belastingrecht, Deventer, Kluwer, 1992, blz. 47 en Nederlandse regelingen van internationaal belastingrecht, deel I.B belangrijke leerstukken, hoofdstuk 1, paragraaf 8, voor een opsomming van relevante omstandigheden.
Om te bepalen waar een natuurlijk persoon woont in de zin van art. 4 AWR, moet worden bezien waar het middelpunt van iemands levensbelangen is gelegen.1 Het is overigens mogelijk dat een natuurlijk persoon op basis van het nationale recht van twee landen een woonplaats heeft in elk van deze landen. Voor die gevallen waarin sprake is van een dubbele woonplaats kennen de verdragen een zogenaamde tie-breaker rule. Voor verdragstoepassing wordt op basis van die regel bepaald welke woonplaats voor gaat.2 Bij toepassing van art. 4 AWR kan een natuurlijk persoon in het geheel geen woonplaats hebben. Dit kwam aan de orde in de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 1960, opgenomen in BNB 1960/186.3 Belanghebbende in deze zaak was een ongehuwde radiotelegrafist in dienstbetrekking bij Radio Holland NV in Amsterdam. Tot 1951 woonde belanghebbende bij zijn ouders in Nederland. In 1953 liet hij zich uitschrijven bij het bevolkingsregister van de gemeente waar zijn ouders woonden. In oktober 1951 was hij reeds vertrokken naar Indonesië en aan het eind van dat jaar was hij als marconist geplaatst aan boord van een schip dat een lijndienst voer tussen Japan en Zuid-Amerika en als thuishaven Hong Kong had. Hij werkte op deze lijndienst totdat hij op 4 februari 1956 vanuit Singapore met verlof naar Nederland vertrok. Tijdens dit verlof verbleef hij bij zijn ouders. Op 5 juli 1956 vertrok hij naar Indonesië om te werken als marconist aan boord van een schip dat zijn thuishaven in Nederland had. Op 9 augustus 1956 werd hij als marconist geplaatst aan boord van een ander schip dat een lijndienst tussen Japan en Zuid-Amerika had en zijn thuishaven in Hong Kong had. Hof Den Haag oordeelde dat moet worden aangenomen dat belanghebbende geen woonplaats had tijdens het verlof. Van belang hierbij is dat belanghebbende gedurende viereneenhalf jaar voorafgaande aan zijn verlof en na zijn verlof werkte op een schip dat zijn thuishaven had in Hong Kong. Naar het oordeel van het hof kon niet worden aangenomen dat hij gedurende zijn verlof, ook al woonden zijn ouders en zus in Nederland, een zodanige band met Nederland had dat hij moet worden geacht tijdens dit verlof zijn woonplaats in Nederland te hebben gehad. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel.
Een van de belangrijkste omstandigheden om te bepalen of iemand in Nederland woont, is het hebben van de beschikking over een woning.4,5 Als daar bovenop ook feitelijk van de woning gebruik wordt gemaakt, wordt de band met het land waar de woning ligt nog groter.6 Dat de woning tussentijds voor de verhuur wordt aangeboden en/of daadwerkelijk wordt verhuurd, hoeft niet af te doen aan de conclusie dat de woning duurzaam ter beschikking staat aan de eigena(a)r(en).7 Ook worden gedragingen van belastingplichtigen waaruit blijkt dat zij de woning willen aanhouden als maatstaf meegenomen bij de beantwoording van de vraag of de woning duurzaam wordt aangehouden.8 De woonplaats van het gezin is een andere belangrijke factor voor het bepalen van de woonplaats van een belastingplichtige.9 Zo oordeelde Hof Arnhem ten aanzien van een hoogleraar die doordeweeks in een appartement in Nederland verbleef, maar in de weekenden bij zijn gezin dat in Brussel woonde, dat hij in België woonachtig was.10 Economische banden, zoals het hebben van een dienstbetrekking in een bepaald land, kunnen wel meewegen bij het bepalen van een woonplaats, maar het sec hebben van economische banden is onvoldoende.11, 12 Persoonlijke banden wegen over het algemeen zwaarder. Als iemand echter geen relatie heeft en geen kinderen zal een band met een bepaald land eerder aan de hand van economische banden kunnen worden bepaald.13 Ook dan zijn echter sociale omstandigheden en het al dan niet hebben van een woning factoren die zwaarder kunnen wegen.
Andere omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het bepalen van de woonplaats van een natuurlijk persoon zijn:
de (voorgenomen) duur van het verblijf in een ander land en de aard (hotelkamer of woning) van dit verblijf;14
het beschikken over eigendommen, zoals meubilair of auto’s;15
het hebben van een telefoonaansluiting;16
het aanhouden van bankrekeningen;17
het hebben van een tijdelijke verblijfsvergunning in een ander land;18
binnenlandse belastingplicht in een ander land;19
het aantal dagen of weken feitelijk verblijf in het buitenland;20
het in- en uitschrijven bij het bevolkingsregister (thans basisadministratie persoonsgegevens) van belastingplichtige en/of echtgenote en kinderen;21
het aanhouden van de huis- en tandarts en/of ziektekostenverzekering;22
Ten slotte zijn diverse omstandigheden van belang die kunnen worden aangeduid als sociale banden. Als voorbeeld van dergelijke sociale banden komen in de jurisprudentie bijvoorbeeld naar voren: het aanhouden van seizoenkaarten van de lokale voetbalclub,23 het bezoek van sportgelegenheden in Nederland al dan niet met vrienden,24 het aanhouden van het lidmaatschap van het Rode Kruis en de omroep en het geldelijk ondersteunen van kerkgenootschappen en deelname aan activiteiten van de Rotary.25, 26