Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.1
3.4.1 Bevoegdheid en ontvankelijkheid
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS506113:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 december 1915, NJ 1916/407 (Guldemond/Noordwijkerhout). Zie ook HR 18 augustus 1944, NJ 1944-45/598 (Alkmaar/Noord-Holland) en HR 23 juni 1989, NJ 1991/ 673 m.nt. M. Scheltema (GCN/Nieuwegein). Zie verder Polak 1999, p. 14-15, Van Maanen & De Lange 2005, p. 33 e.v. en Schueler 2005, p. 76-77.
HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. M. Scheltema, AB 1992/301 m.nt. F.H. van der Burg (Changoe/Staat) en HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8464, NJ 2003/617 m.nt. M. Scheltema, AB 2003/95 m.nt. P.J.J. van Buuren (Staat/Zevenbergen). Zie ook HR 9 november 1973, NJ 1974/91 m.nt. W.F. Prins (Limmen/Houtkoop) en meer recent HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5149, NJ 2004/71 m.nt. T.M. Schalken, AB 2004/ 20 m.nt. T. Zwart (Mink K./Staat) en HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, NJ 2005/361 m.nt. M.R. Mok, AB 2005/111 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (Den Haan/ Staat).
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, JB 2018/199 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.5.2 (Namen agenten).
Van Ravels 2009b, p. 144.
Mok & Tjittes 1995, p. 394 en Van Angeren 2017, p. 39 e.v.
HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556, NJ 2005/152 m.nt. T. Koopmans, AB 2005/399 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2005/32 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.3.1 (OZB/Staat).
HR 22 februari 1957, NJ 1957/310 (Schellen en deuropeners) en HR 25 november 1977, NJ 1978/255 m.nt. M. Scheltema (Plassenschap Loosdrecht). De regel wordt toegepast op allerlei rechtsgebieden. Zie voor het vreemdelingenrecht HR 3 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7808, NJ 2006/28 m.nt. H.J. Snijders, AB 2005/74 m.nt. G.A. van der Veen (Staat/VAJN en NJCM), HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3135, NJ 2009/91 m.nt. M.R. Mok, AB 2010/259 m.nt. G.A. van der Veen (Togolese vreemdeling) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, NJ 2012/241 m.nt. H.J. Snijders, AB 2011/ 11 m.nt. G.A. van der Veen, JB 2010/174 m.nt. R.J.B. Schutgens (Vreemdelingenorganisaties/Staat). Zie voor het strafrecht HR 19 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1110, NJ 2006/459 m.nt. N. Keijzer (G./Staat), HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2046 (K./Staat) en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, JB 2018/199 m.nt. R.J.N. Schlössels (Namen agenten). Zie voor het belastingrecht HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9139, AB 2001/84 m.nt. Th.G. Drupsteen, JB 2001/7 m.nt. E.C.H.J. van der Linden (Philips/Eindhoven), HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548, AB 2007/106 m.nt. P.J. Huisman (Abacus/Staat) en HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1103, BNB 2017/168 m.nt. A.J.H. van Suilen (Rederij/Waterland). Belangrijke toevoegingen zijn de rechtsregels die recent tot uitdrukking zijn gebracht in HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, NJ 2016/262 m.nt. H.J. Snijders, AB 2016/267 m.nt. C.N.J. Kortmann & G.A. van der Veen, JB 2015/125 m.nt. J.J.J. Sillen (Privacy First/Staat), HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, AB 2016/268 m.nt. C.N.J. Kortmann & F.J. van Ommeren (Universiteiten/SCAU) en HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58, AB 2017/171 m.nt. C.N.J. Kortmann & F.J. van Ommeren, JB 2017/48 m.nt. L.J.M. Timmermans (Alcoholslotprogramma).
HR 28 februari 1992, NJ 1992/687 m.nt. M. Scheltema, AB 1992/301 m.nt. F.H. van der Burg (Changoe/Staat) en HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456, AB 2014/71 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2014/2 m.nt. L.J.M. Timmermans (Samsom/De Ronde Venen). Vgl. Van Ravels 2009b, p. 144-145.
Vgl. HR 17 december 1999, NJ 2000/87 m.nt. A.R. Bloembergen onder NJ 2000/88, AB 2000/89 m.nt. P.J.J. van Buuren (Groningen/Raatgever).
De burgerlijke rechter is vrijwel steeds bevoegd om kennis te nemen van een vordering uit onrechtmatige overheidsdaad. De Hoge Raad stelt zich vanaf het klassieke arrest Guldemond/Noordwijkerhout op het standpunt dat de bevoegdheid van de burgerlijke rechter afhankelijk is van het voorwerp van het geschil, dat wil zeggen, van het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd.1 Zodra de burger derhalve stelt dat een onrechtmatige overheidsdaad is gepleegd, is de burgerlijke rechter bevoegd om van zijn schuldvordering kennis te nemen (artikel 112 lid 1 Grondwet). Dit geldt ook indien deze publiekrechtelijk van aard is. Wanneer een andere rechter (ook) bevoegd is kennis te nemen van een geschil, doet dit op zichzelf niet af aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter.2 Hierdoor neemt de burgerlijke rechter in sommige gevallen aan dat hij bevoegd is terwijl tegelijk ook de bestuursrechter bevoegd is. Een dergelijke doublure in de rechtsbescherming is uiteraard onwenselijk. Om die reden treedt de burgerlijke rechter, wanneer het bieden van aanvullende rechtsbescherming in het concrete geval niet nodig is, wel degelijk terug indien de rechtsgang bij een andere rechter ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt.3 Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de burger bij de bestuursrechter materieel hetzelfde resultaat – in termen van inhoud, effect en/of termijn4 – kan verkrijgen.5 Als dit zo is, voldoet de mogelijkheid van bestuursrechtelijke rechtsbescherming en wordt de burger niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering bij de burgerlijke rechter.6 Deze regel heeft een lange geschiedenis.7
Een vergelijkbare regel geldt in het schadevergoedingsrecht.8 Voor vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van onjuiste informatieverstrekking kan binnen het kader van Titel 8.4 Awb vooral worden gedacht aan het bepaalde in artikel 8:89 lid 1 Awb en artikel 71a Vw 2000 (zie hierover paragraaf 3.3.1). Uit deze artikelen volgt dat de CRvB, de HR als belastingrechter en de ABRvS als vreemdelingenrechter bij uitsluiting bevoegd zijn om kennis te nemen van verzoeken om vergoeding van schade die wordt veroorzaakt door de schadeoorzaken die in de wet zijn opgesomd. Deze exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter brengt mee dat degene die ter zake van deze schadeoorzaken een vordering aanhangig maakt bij de burgerlijke rechter daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.9 In de gevallen waarin geen exclusieve bevoegdheid is toegekend aan de bestuursrechter, en waarin de burger dus ingevolge artikel 8:89 lid 2 Awb kan kiezen of hij de bestuursrechter dan wel de burgerlijke rechter benadert, kan voorts worden gedacht aan de regel van artikel 8:89 lid 4 Awb. Hieruit volgt dat een vordering tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk wordt verklaard zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is. Een gelijktijdige procedure bij twee rechters is dus niet mogelijk.10
Als de eiser wél ontvankelijk is in zijn vordering, rijst de vervolgvraag in hoeverre de burgerlijke rechter bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering rekening moet houden met het aanwezige dan wel ontbrekende oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van een besluit dat voor de bestuursrechter is of kon worden bestreden. Deze problematiek heeft geleid tot de ontwikkeling van de leer van de formele rechtskracht in de rechtspraak van de Hoge Raad.