Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.2.2.3
4.3.2.2.3 Conclusies ten aanzien van de strafrechtelijke rechtsbetrekking
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946186:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cleiren & Van Male 1994, p. 66. Zie ook: Cleiren 2005, p. 116.
Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de politie, getuigen en deskundigen.
Vgl. Van de Griend 2002, p. 64.
De groep derden onderscheidt zich van de maatschappij als geheel, doordat wordt gedoeld op personen die geen slachtoffer of getuige zijn, maar die toch een primaire rol hebben ten aanzien van het strafbare feit. Het kan een persoon zijn wiens huis wordt doorzocht of wiens spullen in beslag zijn genomen naar aanleiding van een strafbaar feit. Zie Van de Griend 2002, p. 214.
Van de Griend 2002, p. 61.
Van de Griend vermeldt bijvoorbeeld in een verder verwijderd verband tot het strafbare feit ook verzekeringsmaatschappijen die een rol kunnen spelen bij de betaling van schadevergoedingen. Zie Van de Griend 2002, p. 61.
Van de Griend, p. 214.
Crijns & Kool 2017, p. 312 en 314.
Hiervoor is uitgebreid aandacht besteed aan uiteenlopende visies van verschillende auteurs ten aanzien van de grondslag en invulling van de (strafrechtelijke) rechtsbetrekking. Dit maakt het mogelijk om hierna eerst de strafrechtelijke rechtsbetrekking concreet te duiden, waarna in paragraaf 3.3 de rechtsfiguur van het klachtdelict vanuit dat perspectief kan worden bestudeerd.
De definitie van een rechtsbetrekking – een door het recht geregelde verhouding tussen rechtssubjecten – is algemeen aanvaard. Uit de literatuur volgt dat daaraan in strafrechtelijke context geen eenduidige invulling wordt gegeven. Ik zie overwegende bezwaren tegen de wijze waarop Crijns de strafrechtelijke rechtsbetrekking duidt. Door handelend optreden van het openbaar ministerie als aangrijppunt te nemen voor de totstandkoming van rechtsbetrekkingen verdwijnt een groot deel van de strafrechtelijk relevante dynamiek tussen rechtssubjecten buiten beeld. Voorafgaand aan strafprocessuele handelingen vanuit het openbaar ministerie is reeds sprake van een strafrechtelijk en strafvorderlijk relevante verhouding tussen partijen die in rechtsbetrekkingen kan worden gevangen. Bovendien wordt ook invulling aan een rechtsbetrekking gegeven indien het openbaar ministerie – bijvoorbeeld uit opportuniteitsoverwegingen – welbewust niet optreedt jegens de verdachte om recht te doen aan andere belangen. Ik kan mij tevens niet verenigen met de idee dat de grondslag van een strafrechtelijke rechtsbetrekking kan zijn gelegen in onrechtmatig overheidshandelen.
Ik sluit mij aan bij de idee van Schalken dat de plicht voor burgers om materiële strafnormen na te leven en de verantwoordelijkheid van de overheid om op correcte wijze zorg te dragen voor handhaving van de strafwet leiden tot rechten en verplichtingen over en weer, waardoor sprake is van rechtsbetrekkingen. Het onderscheid van Schalken tussen materieelrechtelijke en procesrechtelijke rechtsbetrekkingen is in mijn optiek minder gelukkig, omdat het nut van onderzoek aan de hand van rechtsbetrekkingen veelal ligt in het abstraheren van terminologisch onderscheid tussen rechtsdomeinen. Schalken doet echter het tegendeel door rechtsbetrekkingen te categoriseren en in de verdeling van rechtsbetrekkingen aan te sluiten bij de verdeling die in de strafrechtspleging reeds is gemaakt tussen materieel en formeel strafrecht. Het verdient dan ook de voorkeur om het door Schalken beschreven onderscheid te definiëren in termen die concreet zien op de aard en inhoud van de rechtsbetrekking. De door Schalken als materieelrechtelijke aangeduide rechtsbetrekkingen kunnen worden geïnterpreteerd als latente rechtsbetrekkingen, waarbij de handhaving via het strafprocesrecht leidt tot de activatie en concretisering van diezelfde rechtsbetrekkingen. Dit idee verhoudt zich ook goed met de beschrijving van het materiële en het formele (straf)recht als communicerende vaten. Daarbij vervult de verdenking een scharnierfunctie tussen het formele en het materiële strafrecht, doordat art. 27 Sv beschrijft dat sprake is van een verdachte zodra uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.1 Dit idee sluit tevens aan op de algemeen geaccepteerde idee dat rechtsbetrekkingen dynamisch van aard zijn.
Bovenvermelde zienswijze vertaalt zich tot de navolgende meer gedetailleerde visie op strafrechtelijke rechtsbetrekkingen. De grondslag voor toepassing van het strafrecht is steeds terug te voeren op de materieelrechtelijke strafbepalingen. De daarin vervatte normen leiden tot latente rechtsbetrekkingen tussen de rechtssubjecten. Dit betreft ten eerste rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling, die over en weer gehouden zijn zich binnen de gestelde kaders te gedragen en andermans rechten niet te treden. De materiële strafwet leidt ook tot latente rechtsbetrekkingen tussen de overheid en de personen die aan de strafwet gehouden zijn, doordat aan de overheid – vertegenwoordigd door het openbaar ministerie – de verantwoordelijkheid is toebedeeld de strafwetgeving te handhaven. Daarbij staat de wisselwerking tussen de materiële strafnormen aan de ene kant en het vervolgingsmonopolie in combinatie met het opportuniteitsbeginsel aan de andere kant centraal. De verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om de strafwet te handhaven correspondeert in de context van rechtsbetrekkingen met de verplichting van de burgers om de strafwet te volgen. Het openbaar ministerie staat in het verlengde daarvan ook in rechtsbetrekking tot slachtoffers van strafbare feiten en de maatschappij als geheel. De exclusieve bevoegdheid tot handhaving brengt immers met zich dat burgers gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat de overheid consequent rechtsherstel nastreeft indien het vermoeden bestaat dat de strafwet is overtreden.
Een deel van die algemene, latente rechtsbetrekkingen wordt geconcretiseerd en geactualiseerd zodra een strafbaar feit is gepleegd. In dat geval gaat het om de rechtsbetrekkingen waaraan rechtssubjecten deelnemen die een concrete rol spelen bij dat strafbare feit of bij de opheldering daarvan. Het gaat dan in de eerste plaats om de verdachte, het slachtoffer en het openbaar ministerie.2 De invulling van de rechtsbetrekkingen tussen de betrokken rechtssubjecten kan met name gedurende de fase van opsporing en vervolging regelmatig veranderen. Bij de ontwikkeling van de verschillende bij een strafbaar feit betrokken rechtsbetrekkingen spelen velerlei factoren een rol, waaronder de aard en ernst van het strafbare feit, het standpunt dat het vermoedelijke slachtoffer daaromtrent inneemt, de mate van verdenking jegens een verdachte, de strafvorderlijke bevoegdheden en dwangmiddelen die al dan niet worden toegepast en het tijdsverloop. De verdere ontwikkeling van die rechtsbetrekkingen laat onverlet dat deze zijn terug te voeren op een materiële strafrechtelijke gedragsnorm.3 Daaruit kan een grote hoeveelheid aan (juridische) relaties tussen verschillende rechtssubjecten ontspruiten.
Opmerking verdient dat het activeren van de zojuist beschreven latente rechtsbetrekkingen niet uitsluitend geschiedt doordat een dader een strafbaar feit pleegt. De situatie kan zich immers ook voordoen dat het openbaar ministerie onderzoek verricht op grond van een onjuist vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd of dat het openbaar ministerie de pijlen richt op een verdachte die geen rol speelde bij een gepleegd strafbaar feit. Op het eerste oog lijkt de rechtsbetrekking tussen de onschuldige verdachte en het openbaar ministerie moeilijk te plaatsen binnen de beschreven zienswijze waarin de grondslag voor de rechtsbetrekking is gelegen in de materiële normen van de strafwet. De persoon die als verdachte is aangemerkt – en die daardoor als rechtssubject in een concretere rechtsbetrekking tegenover het openbaar ministerie komt te staan – heeft immers geen norm uit de strafwet overtreden. Toch is ook deze geactiveerde rechtsbetrekking terug te voeren op de materieelrechtelijke strafbepalingen. De sleutel is daarbij gelegen in art. 27 Sv dat de deur voor strafvorderlijk ingrijpen door het openbaar ministerie jegens een verdachte opent onder de voorwaarde dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
De grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking is dus steeds gelegen in de materieelrechtelijke normen in de strafwet, maar activering en concretisering van de rechtsbetrekking geschiedt niet uitsluitend indien één van die normen daadwerkelijk is overtreden. Bij de hierboven beschreven latente rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en burgers staat daarbij de omstandigheid centraal dat het openbaar ministerie en de burgers respectievelijk tot handhaving en naleving van de uit de strafwet volgende materiële normen zijn gehouden. Ten behoeve van handhaving moet het openbaar ministerie (kunnen) optreden en onderzoek (kunnen) verrichten voordat zekerheid bestaat omtrent het bestaan van een strafbaar feit en de schuld van een verdachte. Die ruimte voor het openbaar ministerie brengt evenwel ook verantwoordelijkheden met zich. Eerder in dit hoofdstuk kwam aan bod dat rechtssubjecten binnen een strafrechtelijke rechtsbetrekking over en weer gehouden zijn rekening te houden met elkaars positie en belangen en dat de gehoudenheid daartoe voor één van beide rechtssubjecten groeit naarmate dat subject meer overwicht heeft binnen de rechtsbetrekking. Crijns wees erop dat dit binnen het strafrecht met name invulling krijgt via beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging en doordat van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat het magistratelijk handelt. Schalken onderscheidt in dit verband tussen rechtsbescherming door normhandhaving en rechtsbescherming tegen normhandhaving. In dit licht mag de verdachte verwachten dat het openbaar ministerie na het starten van onderzoek naar zijn handelen zich richt op waarheidsvinding en zich dus inspant om informatie te verzamelen die kan bijdragen aan de vaststelling van zijn mogelijke onschuld. Dit kan ertoe leiden dat de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en een onschuldige verdachte weer aan activiteit verliest zodra informatie voorhanden is die afbreuk doet aan het vermoeden van schuld dat aanleiding gaf die verdachte aan nader onderzoek te onderwerpen.
Met het oog op de visualisatie van de hierboven beschreven strafrechtelijke rechtsbetrekkingen zoek ik aansluiting bij hetgeen Van de Griend aanduidt als het “spinnenwebmodel”. In het middelpunt van het spinnenweb bevindt zich (de verdenking van) het strafbare feit. Vanuit dit middelpunt lopen lijnen naar de rechtssubjecten die een directe link hebben met het vermeende strafbare feit. Volgens Van der Griend betreft dit: de verdachte, het slachtoffer, de getuige, de politie, het openbaar ministerie, derden en tot slot de maatschappij als geheel.4 Tussen die actoren kunnen ook directe verbindingen bestaan. Zo staat het slachtoffer in rechtsbetrekking tot de dader en tevens tot het openbaar ministerie. In een verder verwijderd verband noemt Van de Griend onder andere de pers.5 Op dit tweede niveau kan mijns inziens ook worden gedacht aan de advocaat die via een verdachte in een strafprocedure wordt betrokken. De rechten en verplichtingen van die raadsman zijn afhankelijk van (het voortduren van) de rechtsbijstand aan de verdachte. Het voorgaande is hieronder in figuur A schematisch weergegeven. Daarbij verdient opmerking dat dit geen uitputtende weergave is van alle mogelijke strafrechtelijke rechtsbetrekkingen6 en dat tevens niet ieder strafbaar feit leidt tot al deze rechtsbetrekkingen. Zo is bijvoorbeeld niet steeds sprake van getuigen of aandacht vanuit de pers.
Figuur A
Van de Griend beschrijft voorts dat slachtoffers, getuigen en andere derden steeds in een driehoeksrelatie staan tot de verdachte en het openbaar ministerie, omdat de overheid zich ontfermt over de vervolging van strafbare feiten.7 Het strafproces verloopt via de overheid en dit kleurt de invulling van strafrechtelijke rechtsbetrekkingen. Crijns en Kool spreken in dit verband ook over een “(be)middelende rol” van de strafvorderlijke overheid en zetten uiteen dat bijvoorbeeld een verdachte en het slachtoffer zich met name indirect als rechtssubject tot elkaar verhouden via de band van de overheid. Die indirectheid brengt volgens hen een zekere waarborg met zich, omdat de strafvorderlijke overheid als bemiddelende instantie beide rechtssubjecten moet erkennen.8 Dit idee is hieronder in figuur B schematisch weergegeven.
Figuur B