Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.2.2.2:4.3.2.2.2 De grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.2.2.2
4.3.2.2.2 De grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946239:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid: Crijns 2010, p. 292-301.
Crijns 2010, p. 294. Crijns verwijst daarbij naar Enschedé 1979, p. 59-63, maar vermeldt dat hierover ook anders wordt gedacht: Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 10-11.
Crijns 2010, p. 300-301.
Zie paragraaf 3.2.2.
Schalken 1987.
Ook kan worden gedacht aan de situatie dat het openbaar ministerie vervolging instelt ter zake een klachtdelict, terwijl geen klacht is ingediend.
Crijns 2010, p. 300-301.
Crijns 2010, p. 362
Crijns 2010, p. 295.
Schalken 1987, p. 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking zijn in de literatuur uiteenlopende standpunten verwoord. Crijns onderscheidt ten aanzien van de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte drie visies.1 De eerste visie gaat uit van een materieelrechtelijke grondslag, waarbij het samenstel van materiële normen redengevend is voor een (latente) rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de (rechts)personen die aan die normen te houden zijn. Het overtreden van de materiële norm leidt tot het activeren van de rechtsbetrekking, waarna het openbaar ministerie normhandhavend kan optreden. Crijns beschrijft daarnaast twee formeelrechtelijke benaderingen van de grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking. Daarbij onderscheidt Crijns tussen een normatief en een feitelijk criterium. Het normatieve criterium houdt in dat een rechtsbetrekking ontstaat, zodra bij de autoriteiten een redelijk vermoeden is gerezen dat een rechtssubject zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Het aangrijppunt voor de rechtsbetrekking is in deze visie strafvorderlijk verankerd in art. 27 Sv. Bij het feitelijke criterium is de grondslag voor de rechtsbetrekking concreet gelegen in een strafvorderlijk relevante handeling die door of namens het openbaar ministerie ten overstaan van een rechtssubject wordt verricht.
Crijns wijst de materiële benadering af, omdat de bevoegdheid voor het openbaar ministerie om in te grijpen concreet voortvloeit uit de normen in het strafprocesrecht. Zijns inziens biedt het materiële strafrecht geen directe grondslag voor een latente rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de burger. Daarbij speelt een rol dat veel materiële normen in de strafwet in zijn optiek zijn geformuleerd als instructienorm voor de rechter.2 Ook acht hij van belang dat de uit de materiële strafwet volgende gedragsnormen invulling geven aan (horizontale) rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling. Crijns erkent dat de aanleiding voor de rechtsbetrekking weliswaar is gelegen in de overtreding van de normen van het materiële strafrecht, maar stelt dat de grondslag voor de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte is gelegen in de normen van het strafprocesrecht. Crijns zoekt aansluiting bij het feitelijke strafprocessuele criterium. Hij meent dat het karakter van het strafprocesrecht – als stelsel van veroorlovende bevoegdheden – in samenhang met de positie van het openbaar ministerie als dominus litis met zich brengt dat een expliciete keuze van het openbaar ministerie mag worden verwacht. Het openbaar ministerie heeft als overheersend rechtssubject de keuze tot welke verdachte het in rechtsbetrekking komt te staan. Dit brengt Crijns tot de conclusie dat concreet justitieel optreden jegens een burger de enige daadwerkelijke constitutieve voorwaarde is voor het ontstaan van een rechtsbetrekking tussen beide partijen. Het bestaan van een afdoende verdenking is volgens Crijns slechts van belang voor de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie, maar raakt zijns inziens niet aan de grondslag van de rechtsbetrekking die (al dan niet rechtmatig) is gevestigd door het openbaar ministerie.3
Uit de hiervoor besproken differentiatie tussen materieelrechtelijke en procesrechtelijke rechtsbetrekkingen van Schalken volgt dat hij – anders dan Crijns – meent dat op de materiële strafwetgeving wel degelijk rechtsbetrekkingen tussen het openbaar ministerie en burgers zijn gegrond.4 Het openbaar ministerie draagt immers verantwoording voor handhaving van die strafwet ten overstaan van de burgers die daaraan zijn onderworpen. Ten aanzien van de grondslag voor de procesrechtelijke rechtsbetrekkingen volgt Schalken het normatieve criterium, waarbij het redelijk vermoeden van schuld de deur opent naar strafvorderlijk ingrijpen en daarmee de totstandkoming van formeelrechtelijke rechtsbetrekkingen inluidt. Het strafprocesrecht regelt de verhoudingen tussen alle partijen die bij de opheldering van het strafbare feit en de reactie daarop een rol vervullen. Met die procesrechtelijke rechtsbetrekkingen kan recht worden gedaan aan reeds bestaande materieelrechtelijke rechtsbetrekkingen.5
Ik kan mij niet vinden in de wijze waarop Crijns de grondslag van de strafrechtelijke rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte duidt. De idee dat pas sprake is van een rechtsbetrekking zodra het openbaar ministerie feitelijk justitieel optreedt tegen een verdachte is mijns inziens te beperkt. Deze zienswijze is gestoeld op het uitgangspunt dat van het openbaar ministerie als dominus litis een eerste stap kan worden verwacht. De strafrechtelijke rechtsbetrekkingen naar aanleiding van een strafbaar feit ontstaan zijns inziens zodra het openbaar ministerie door te handelen als het ware het startschot geeft voor het strafproces. Dat is echter niet steeds het geval. Zo ontstaat bijvoorbeeld bij klachtdelicten de bevoegdheid tot opsporing en vervolging eerst nadat een klachtgerechtigde een klacht heeft ingediend. De rechtsfiguur van het klachtdelict is dan ook moeilijk te plaatsen in de benadering van Crijns. Het uitblijven van het indienen van een klacht leidt immers evenzeer tot juridisch relevante gevolgen en dit beïnvloedt de (juridische) verhoudingen tussen het slachtoffer, het openbaar ministerie en de verdachte. In de benadering van Crijns bestaat ten tijde van deze dynamiek – die procesrechtelijk relevant is – nog geen grondslag voor een strafrechtelijke rechtsbetrekking tussen die rechtssubjecten. Mijns inziens leidt de zienswijze van Crijns er dan ook toe dat (juridische) relevante relaties tussen partijen te beperkt worden geduid als strafrechtelijke rechtsbetrekkingen.
Ik kan mij evenmin aansluiten bij de idee van Crijns dat onrechtmatig handelen van het openbaar ministerie eveneens de totstandkoming van een rechtsbetrekking inluidt, bijvoorbeeld door de uitoefening van strafprocessuele bevoegdheden zonder dat sprake is van een afdoende verdenking.6 Het bestaan van een afdoende verdenking is volgens Crijns slechts van belang voor de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie, maar dit raakt in zijn optiek niet aan de grondslag van de rechtsbetrekking. Een onrechtmatig gevestigde rechtsbetrekking blijft volgens Crijns een rechtsbetrekking, omdat het openbaar ministerie anders in een juridisch vacuüm zou handelen ten overstaan van de verdachte.7 Dat is echter een drogreden. Dat juridisch vacuüm is er immers alleen indien men de premisse accepteert dat de grondslag voor de rechtsbetrekking is gelegen in het strafprocessuele handelen van het openbaar ministerie. Als men zou accepteren dat reeds sprake was van een (latente) rechtsbetrekking tussen de rechtssubjecten – waarvan de grondslag is gelegen in de materiële strafwet – dan is geen sprake van een juridisch vacuüm.
De gedachte dat een strafrechtelijke rechtsbetrekking kan ontstaan door onrechtmatig overheidshandelen laat zich tevens moeilijk verenigen met het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel waaruit volgt dat de rechtssubjecten die deel uitmaken van een strafrechtelijke rechtsbetrekking slechts binnen het geboden wettelijke kader invulling kunnen geven aan strafrechtelijke rechtsbetrekkingen. Het is een gegeven dat het openbaar ministerie buiten bevoegdheden kan treden, maar dat betekent niet dat de grondslag voor rechtsbetrekkingen tussen het openbaar ministerie en de verdachte eveneens buiten het wettelijke kader kan zijn gelegen. Met het beschrijven van relaties in termen van rechtsbetrekkingen wordt beoogd de verhouding tussen rechtssubjecten inzichtelijk te maken zoals deze door het recht is geregeld. Daaraan wordt voorbijgegaan als de grondslag voor de rechtsbetrekking wordt gezocht in een feitelijke omstandigheid die zich niet verhoudt met het systeem van regels waarin men met behulp van een rechtsbetrekking inzicht wenst te krijgen.
Het voorgaande betekent overigens niet dat Crijns de materiële strafwet geen belang toedicht waar het gaat om de grondslag van de strafrechtelijke rechtsbetrekking. Hij onderscheidt tussen het moment waarop de grondslag voor de rechtsbetrekking ontstaat en het tijdstip waarop de rechtsbetrekking daadwerkelijk tot stand komt.8 Crijns erkent dat de aanleiding voor het strafvorderlijk ingrijpen steeds is gelegen in de schending van normen van het materiële strafrecht, maar daaruit volgt zijns inziens niet steeds dat het formele strafrecht wordt ingezet en een strafrechtelijke rechtsbetrekking tussen openbaar ministerie en verdachte ontstaat.9 De differentiatie tussen de grondslag voor de rechtsbetrekking en het moment van ontstaan van de rechtsbetrekking brengt met zich dat in de visie van Crijns geen sprake is van een (latente) rechtsbetrekking geënt op (de verdenking van overtreding van) normen uit de materiële strafwet.
Het maakt wezenlijk verschil of sprake is van latente rechtsbetrekkingen tussen de bij een strafbaar feit betrokken rechtssubjecten of dat die rechtsbetrekkingen pas ontstaan zodra het openbaar ministerie handelend optreedt. Hiervoor is de strafrechtelijke rechtsbetrekking als wederkerig geduid, in die zin dat voor het openbaar ministerie de verplichting bestaat bij de aanwending van bevoegdheden rekening te houden met de belangen van de rechtssubjecten tot wie het in rechtsbetrekking staat. Dit betekent dat de totstandkoming van een rechtsbetrekking leidt tot de gehoudenheid van rechtssubjecten rekening te houden met elkaars belangen. Als een rechtsbetrekking pas zou ontstaan door een handelen van het openbaar ministerie, dan is het openbaar ministerie tot dat moment niet gehouden rekening te houden met de belangen van de partij tot wie het in rechtsbetrekking komt te staan. Het komt mij echter juist voor dat die plicht al bestaat vóórdat wordt gehandeld. Bij strafbare feiten betrokken rechtssubjecten mogen er immers op vertrouwen dat het openbaar ministerie zich rekenschap geeft van hun belangen alvorens strafvorderlijke bevoegdheden worden ingezet die raken aan hun rechtspositie. Schalken stelt in dit verband terecht:
“Voor de overheid geldt dat haar beleidsvrijheid niet gelijk kan worden gesteld met het naar eigen inzicht uitoefenen van een discretionaire bevoegdheid. Zij omvat eerder de plicht om binnen de grenzen van de rechtsbetrekking, uit hoofde waarvan de discretionaire bevoegdheid is toegekend, rekening te houden met de belangen van de burger waarop deze rechtens aanspraak heeft.”10