Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.4
VI.3.4 Een oplossing in der minne
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378568:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 14-15. Zie over de ontbinding wegens gewichtige redenen § III.4.2. In het enquêterecht bestond een soortgelijke bepaling, zie art. 54 lid 5 WvK (oud), thans art. 2:355 lid 5 BW. Inspiratie vond de Commissie Vennootschapsrecht ook in Section 210 van de Engelse Companies Act (1948), waarin de rechter de bevoegdheid kreeg 'to make such order as it thinks fie .
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 18. Met art. 2:336 lid 4 BW werd in zekere mate tegemoet gekomen aan de wens van de RMK om te voorzien in een voorstadium van 'bijgestuurd overleg', zie § VI.1.2. Westbroek kon zich verenigen met de mogelijkheid van overleg tijdens de procedure, zie Westbroek (1985/1), p. 714.
Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 5, stelde dat het instellen van een enquêteprocedure ook een maatregel in de zin van art. 2:336 lid 4 BW kan zijn. Ik ben het niet met haar eens. Met een enquêteprocedure is het afwachten welke maatregelen de rechter treft om het nadeel te beperken, en niet een aandeelhouder (of de vennootschap) zelf. Hierbij geldt dat de aandeelhouder koos voor de geschillenregelingprocedure en niet een enquêteverzoek had ingediend. De geschillenregelingrechter mag niet weigerachtig zijn te beslissen (art. 26 Rv) en eerst een nog te starten procedure afwachten, welke procedure bovendien niet kan leiden tot overdracht van de aandelen. Ik wijs op art. 20 Rv volgens welk artikel de rechter de plicht heeft de onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.
Zie de aanhef van art. 2:252 lid 4 BWNA: 'Tenzij partijen onverwijld eenstemmig aan de notaris te kennen geven dat zij alsnog voor een andere oplossing kiezen, (...).'
Rb. Breda 25 juni 2003, n.g. (Newton 21), ro. 3.7.1.
Rb. Den Bosch 10 mei 1996, JOR 1998/26 (Hooymans), m.3.1 en 4.3.
In deze uittredingsprocedure werd tijdens de comparitie van partijen overeengekomen dat de aandelen zouden overgaan tegen de waarde die door een door de OK te benoemen bindend adviseur werd bepaald. Nadien trachtten beide partijen nog wel de geldigheid van het bindend advies voor de OK aan te vechten en de procedure te laten 'herleven', maar daar bleek de OK ongevoelig voor. De partijen hadden namelijk zich verbonden mee te werken aan het royement van de procedure, stelde zij, en dit vereiste slechts één administratieve handeling, te weten de doorhaling op de rol. De OK verklaarde partijen dan ook niet ontvankelijk 'in hetgeen thans nog door hen wordt gevorderd'. Zie OK 7 december 1995, JOR 1996/3 (Peeters). Opmerkelijk is dat de proceskosten, gemaakt na de dading, door de OK werden gecompenseerd; 'gelet op de familierelatie tussen partijen'. Zie voor een minnelijke regeling waarvoor de aanzet tijdens de terechtzitting kwam: OK 28 september 2009, ARO 2009/154 (Sign Top).
Slechts indien de zaak volgens het rechterlijk oordeel 'niet geschikt' is, blijft een verplichte comparitie achterwege, zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 146.
Een oplossing in der minne verdient de voorkeur boven een door de rechter opgelegde overdracht. Daarom bepaalt art. 2:336 lid 4 (jo. 2:343 lid 1) BW dat de rechter zijn beslissing kan aanhouden. De Commissie Vennootschapsrecht had dit in 1975 overigens bedacht om de ontbinding wegens gewichtige redenen te voorkomen.1
Ten processe kan blijken dat de vennootschap of een of meer aandeelhouders het op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de vennootschap — of, in het geval van uittreding: de eisende aandeelhouder — lijdt, zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt. Voor de uitstoting gaat het om het ongedaan maken of beperken van het nadeel dat de vennootschap lijdt. Bij de uittreding moet het schaden van de rechten en belangen van de aandeelhouder die wil uittreden, verminderd of weggenomen worden. Het deels wegnemen van het nadeel houdt volgens mij verband met de eis dat sprake moet zijn van substantiële — of zoals de wettekst stelt, zodanige — schade aan de belangen van de vennootschap respectievelijk de aandeelhouder. Is zulks het geval, dan heeft de rechter de uitdrukkelijke bevoegdheid voor een door hem te bepalen termijn zijn beslissing aan te houden. Zo krijgt de rechter alle ruimte om een schikking te beproeven.2 Mocht een maatregel dit effect sorteren, dan blijft sprake van 'een beetje schade' en is aan de grond voor uitstoting of uittreding niet langer voldaan.3
Interessant is dat de uittredingsregeling voor de Caribische delen van het Koninkrijk grossiert in oplossingen in der minne. Het eerste moment is het aanbod tot overname nadat de eiser zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt. Tot een echte uittredingsprocedure komt het dan in het geheel niet, men volgt de verkorte procedure van art. 2:251 lid 4 BWNA.4 Tijdens de procedure kan de vennootschap bij incidentele conclusie een gegadigde aanwijzen die de aandelen wil overnemen. Weigert de eisende aandeelhouder op onredelijke gronden op dit aanbod in te gaan, dan wijst de rechter zijn uittredingsvordering af (art. 2:251 lid 2 BWNA). Ook kunnen partijen zelf voor een oplossing kiezen, zelfs nadat de rechter zijn definitieve oordeel heeft geveld. Zij geven dit in zo'n geval eenstemmig aan de notaris te kennen, omdat eerst met zijn op te maken proces-verbaal de overdracht geschiedt. 5
In de gepubliceerde jurisprudentie is nimmer van de bevoegdheid van art. 2:336 lid 4 BW gebruik gemaakt. Eenmaal beval de Rechtbank Breda in een uittredingszaak een comparitie van partijen, maar dit was op de uitdrukkelijke wens van de gedaagde aandeelhouders. In verband met de kosten van een deskundigenbenoeming hoopten zij tot een minnelijke oplossing te komen. Van concrete toepassing van art. 2:336 lid 4 jo. 2:343 lid 1 BW was geen sprake.6 In een Hooymans-vonnis trachtte de rechtbank met een comparitie (tevens) een minnelijke regeling te bereiken, doch haar poging strandde.7 De OK bereikte in een andere zaak in 1995 met een door haar bevolen comparitie inderdaad een minnelijke schikking op grond van art. 19 Rv.8 Het proces-verbaal levert ex art. 87 lid 3 Rv een executoriale titel op.
Mijns inziens is art. 2:336 lid 4 BW overbodig. In het (sinds 2002 vernieuwde) procesrecht is de rechter namelijk ex art. 131 Rv in beginsel verplicht een comparitie na antwoord te bevelen.9 De mogelijkheid van een schikking kan de reden voor deze comparitie zijn, aldus art. 131 jo. 87 Rv. Zo kan al in een vroeg stadium van de procedure de stemming van de strijdende aandeelhouders gepeild worden. Indien één van de partijen maatregelen wil treffen om het nadeel ongedaan te maken of te verminderen, dan kan dit begrepen worden als een schikking en is het einde van de procedure in zicht. Het moment van de comparitie na antwoord valt een stuk vroeger dat het moment van art. 2:336 lid 4 BW. Daarbij geldt dat de comparitie na antwoord niet het enige moment is waarop de rechter kan onderzoeken of partijen bereid zijn water bij de wijn te doen en de procedure te beëindigen. De rechter kan ook ex art. 87 Rv ambtshalve een verschijning van partijen bevelen teneinde een schikking te beproeven. Het artikel geldt in het algemeen voor dagvaardingsprocedures en eveneens onverkort voor de geschillen-regeling. De bepaling van art. 2:336 lid 4 BW is slechts complementair. Extra rechterlijke bevoegdheden vloeien er niet uit voort. Omwille van de eenvoud stel ik voor het artikellid te schrappen. Het voorkomt processuele onduidelijkheden en hiermee gepaard gaande vertragingen indien voor de procedure van de geschillen-regeling zoveel mogelijk geput wordt uit de regels van het algemeen burgerlijk procesrecht. In dit verband acht ik de algemene schikkingsregels van art. 87 Rv (jo. 131 Rv) voldoende. Zo is er tijdens de procedure op ieder moment ruimte voor onderhandelingen, al dan niet op verzoek van partijen, na comparitie na antwoord of op instigatie van de rechter zelf. Art. 2:336 lid 4 BW kan — zoals gezegd verdwijnen.