Ik merk daarbij op dat zich bij de stukken van het geding een verzoek tot schadevergoeding bevindt dat op 18 juni 2022 is ondertekend, waarin onder materiële en/of verplaatste schade achter ‘gehele kluis met inhoud’ een bedrag van € 18.000 is vermeld, alsmede een verzoek tot schadevergoeding waarop op de eerste bladzijde ‘PR 28-10-2022 herstelvordering’ is vermeld, en waarin onder materiële en/of verplaatste schade achter ‘Weggenomen geld’ een bedrag van € 20.000,00 is vermeld. Het bedrag van € 13.000,- komt in deze vorderingen derhalve niet terug.
HR, 08-07-2025, nr. 23/03272
ECLI:NL:HR:2025:1118
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/03272
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1118, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:780
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:1977
ECLI:NL:PHR:2025:780, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1118
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑06‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Diefstal d.m.v. aannemen valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr) door via babbeltruc woning slachtoffer binnen te treden. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft niet vastgesteld dat b.p. geestelijk letsel heeft opgelopen. Inzake aard en ernst van normschending heeft hof vastgesteld dat sprake is van ‘diefstal, waarbij schuldige zich toegang tot plaats van misdrijf heeft verschaft d.m.v. aannemen van valse hoedanigheid’. Wat gevolgen betreft heeft hof vastgesteld dat kluis met geld en sieraden zijn weggenomen, dat b.p. ‘gevoelens van angst, schuld en wantrouwen (heeft) bekomen’, dat zij een alarmknop heeft gekregen en dat zij geen onbekenden meer durft toe te laten in haar woning. Die vaststellingen zijn niet toereikend om aan te nemen dat b.p. ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast, in aanmerking genomen dat in HR:2019:1465 is overwogen dat ‘niet is uitgesloten’ dat inbraak in woning ‘dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor aannemen van aantasting in persoon’. Deze formulering duidt op regel waarop in bijzondere omstandigheden uitzondering mogelijk is. Gevolgen die diefstal (zonder geweld) in onderhavige zaak voor b.p. heeft gehad, zijn niet dermate ingrijpend (en van gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij uitzondering op regel rechtvaardigen. Mede in licht van HR:2019:793 en op wat ter onderbouwing van vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 is aangevoerd, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van zaak na vernietiging door HR teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, onevenredige belasting van strafgeding oplevert. HR doet zaak zelf af en bepaalt dat bedrag waarvoor vordering b.p. is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, verklaart t.a.v. schadevergoedingsmaatregel dat o.g.v. 6:4:20 Sv gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart b.p. voor het overige n-o in haar vordering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03272
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2023, nummer 23-002863-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast, tot het bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde 1] en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14 tot en met 18. Om de redenen zoals vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 20, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 20.500 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dat slachtoffer is opgelegd en (ii) wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan deze schadevergoedingsmaatregel;
- bepaalt dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de Staat is opgelegd voor dat bedrag, verklaart ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft d.m.v. het aannemen van een valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr). 1. Bewijsklacht. 2. Vordering benadeelde partij, aantasting in persoon ‘op andere wijze’. De conclusie strekt ertoe de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast, te bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast en het beroep voor het overige te verwerpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03272
Zitting 27 mei 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 22 augustus 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid’ veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen geldbedrag, de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft de bewijsvoering, het tweede middel betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voordat ik het eerste middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer. Voordat ik het tweede middel bespreek, geef ik de vordering van de benadeelde partij en de overwegingen en beslissingen van het hof inzake deze vordering en de schadevergoedingsmaatregel weer.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 30 juli 2021 te [plaats] uit een woning aan de [a-straat 1] ,
- een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (twintigduizend) euro en papieren bescheiden, en
- een geldbedrag in contanten en
- een groot aantal sieraden,
dat/die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, immers heeft hij zich voorgedaan als een loodgieter die ter oplossing van een niet-bestaand probleem in de woning van het slachtoffer moest zijn.’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een proces-verbaal van aangifte van 31 juli 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juli 2021 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 1]:
Ik doe aangifte van “gekwalificeerde diefstal in/uit woning” mede namens [benadeelde 2] , gepleegd op 30 juli 2021 te [plaats] .
Ik woon aan de [a-straat 1] te [plaats] .
We (het hof begrijpt: de aangeefster en haar man [benadeelde 2]) waren vanmiddag samen thuis. De deurbel ging en ik deed open. Ik zag dat er een man voor de deur stond. De man zei tegen mij dat hij voor loodgietersbedrijf [A] werkte en dat hij boven onze woning een lekkage aan het verhelpen was. Er zou een plas water in de woning staan en de man wilde bij ons inspecteren of alles in orde was. Ik liet de man binnen.
De man liep met mij naar de keuken en ging wat rommelen aan het sifon onder de wasbak in de keuken. Hij deed dit met zijn blote handen. Hij deed de kraan in de keuken aan en zei dat ik daarnaar moest blijven kijken en dat hij dan wat dingen ging controleren in het toilet.
De man liep de woning in en ik hoorde dat hij het toilet een aantal keren doortrok. Vervolgens zei de man dat hij weer verder moest kijken en dat hij straks terug kwam. Na ongeveer een kwartier kwam de man terug, waarna hij zei dat hij de douche nog moest controleren.
Ik moest in de keuken blijven kijken naar de straal uit de kraan.
(…)
Op een gegeven moment ging de man weer weg. Hij is daarna niet meer teruggekomen. Later liep ik naar onze logeerkamer. Ik zag dat een van de kastdeuren open stond. Ik zag dat de kluis, die normaal onderin de linkerzijde van de kast staat, was verdwenen. In deze kluis lag ongeveer € 20.000,00 aan contant geld in briefjes van € 50,00 en € 100,00. In de kluis zaten verder verzekeringspapieren. Ik heb de kluis van de week nog in de kast zien staan. In de tussentijd is er niemand bij de kluis geweest.
2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster van 24 augustus 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 augustus 2021 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 1]:
Op 30 juli 2021 zijn wij slachtoffer geworden van diefstal door middel van een babbeltruc. Ik heb die dag aangifte gedaan bij de politie, maar ik kwam er later achter dat er nog meer geld en sieraden zijn gestolen. Het geld zat in de onderste lade van de kaptafel die naast het bed in de slaapkamer staat. De sieraden zaten in een doosje in mijn beautycase in de hangkast in de slaapkamer.
3. Een geschrift, te weten een bijlage goederen, opgemaakt op 24 augustus 2021 en ondertekend door de aangeefster en de verbalisant, (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, onder meer in:
Meerdere kettingen, een hanger en meerdere oorsieraden.
4. Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] [plaats] ), opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op 31 juli 2021 kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse werd ik aangesproken door de bewoners. De bewoonster vertelde mij dat zij had gezien dat de man diverse malen de sifon van de wasbak aanraakte. Ik heb deze sifon bemonsterd op de aanwezigheid van DNA.
Biologisch spoor
SIN : AANN7933NL
Spooromschrijving : Epitheel
Datum veiligstellen : 31 juli 2021
Plaats veiligstellen : Sifon in keukenkastje
5. Een verslag van een deskundige, te weten het NFI-rapport "DNA-onderzoek naar aanleiding van een inbraak gepleegd in [plaats] op 30 juli 2021” van 2 september 2021, opgemaakt door ing. S.R. Hoogendoorn-Jagai, (…).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de deskundige:
Het in Tabel 1 vermelde sporenmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek.
Tabel 1
AANN7933NL#01 DNA-(meng)profiel
6. Een verslag van een deskundige, te weten het NFI-rapport "Vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van een diefstal in [plaats] op 30 juli 2021” van 19 oktober 2021, opgemaakt door S. Smit MSc, (…).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als mededeling van de deskundige:
Van het DNA in bemonstering AANN7933NL#01 is eerder een DNA-profiel van een man verkregen.
DNA-profiel AANN7933NL#01 is op 5 oktober 2021 eenmalig vergeleken met de aanwezige DNA-profielen van personen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Hierbij is een overeenkomst gevonden met het DNA-profiel van onderstaande persoon:
Naam : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1996
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
DNA-profiel AANN7933NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.’
6. Het hof heeft inzake het bewijs het volgende overwogen:
‘Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster het slachtoffer is geworden van een zogenoemde babbeltruc. Uit het proces-verbaal van aangifte volgt dat aangeefster op 30 juli 2021 een man haar woning heeft binnengelaten die zich voor heeft gedaan als loodgieter. De man zei dat hij voor loodgietersbedrijf [A] werkte en dat hij haar woning wilde inspecteren in verband met een lekkage in de woning er boven. Nadat de man haar woning had verlaten, kwam aangeefster erachter dat er een kluis, met een geldbedrag van ongeveer € 20.000,00 en papieren bescheiden, miste. Uit het proces-verbaal van verhoor van aangeefster volgt dat zij er later achter kwam dat eveneens een geldbedrag uit de onderste lade van een kaptafel en sieraden waren gestolen. Aangeefster heeft gezien dat de man die haar woning binnen kwam met blote handen de sifon in haar keukenkastje onder de wasbak heeft aangeraakt. Uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek in de woning van aangeefster blijkt dat deze sifon is bemonsterd (epitheel) op de aanwezigheid van DNA. Uit de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat uit de bemonstering een DNA-(meng)profiel van een man is verkregen dat eenmalig is vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een overeenkomst gevonden met het DNA-profiel van de verdachte, waarbij is geconcludeerd dat het verkregen DNA-profiel uit de bemonstering meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. Deze bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde diefstal.
De verdachte is bevraagd door de politie over het aangetroffen DNA en heeft zich daarbij beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in eerste aanleg, maar heeft volstaan met het laten overleggen van een korte schriftelijke verklaring waarin hij stelt niks met het feit te maken te hebben en onder meer schrijft dat zijn DNA mogelijk op de sifon terecht is gekomen doordat hij zijn handschoenen wel eens uitleende aan bekenden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij deze verklaring herhaald, maar is hij niet bereid geweest namen te noemen van deze bekenden. Daarnaast geeft de verdachte aan geen onderzoek te hebben verricht naar waar hij op 30 juli 2021 dan wel zou zijn geweest, nu hij ontkent op die dag in de woning van aangeefster te zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus geen aannemelijke of controleerbare, de voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft afgelegd voor de aanwezigheid van zijn DNA op de sifon in het keukenkastje in de woning van aangeefster. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het op de sifon aangetroffen DNA afkomstig is van de persoon die zich op 30 juli 2021 voordeed als loodgieter. Bij deze stand van zaken komt het hof tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hetgeen de verdachte heeft verklaard en hetgeen de raadsman heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet af en leidt niet tot een ander oordeel.’
Bespreking van het eerste middel
7. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte op 30 juli 2021 een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten van ongeveer € 20.000,- heeft weggenomen onvoldoende met redenen is omkleed. De stellers van het middel voeren aan dat door de benadeelde partij een bedrag van € 13.000,- is opgevoerd en dat de gestelde schade van € 20.000,- onvoldoende is onderbouwd. Dat zou te meer klemmen nu door de benadeelde partij in eerste aanleg als reden voor de aanwezigheid van dat geldbedrag is aangevoerd dat het geld niet op een bankrekening is gestort omdat de benadeelde partij geen vertrouwen heeft in de bankwereld. De rechter zou een dergelijk motief in geval van aanwezigheid van een groot bedrag in een woning en een verdenking van witwassen direct terzijde plegen te schuiven als zijnde hoogst onwaarschijnlijk.
8. De tot het bewijs gebezigde aangifte van de benadeelde partij houdt in dat zij op 30 juli 2021 een man heeft binnengelaten in de woning van haar en haar echtgenoot aan de [a-straat 1] te [plaats] . De man zei dat hij voor een loodgietersbedrijf werkte, dat hij boven hun woning een lekkage aan het verhelpen was en dat hij bij hen wilde inspecteren of alles in orde was. Op enig moment is de man (alleen) de woning ingelopen. Nadat hij weg was is de benadeelde partij naar de logeerkamer gelopen en zag zij dat de kluis weg was, waarin ‘ongeveer € 20.000 aan contant geld in briefjes van € 50,00 en € 100,00’ lag.
9. Het hof heeft (mede) op basis van deze aangifte bewezen kunnen verklaren dat de verdachte op 30 juli 2021 te [plaats] uit de woning aan de [a-straat 1] ‘een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (twintigduizend) euro’ heeft weggenomen. Daaraan doet niet af dat de benadeelde partij een ander schadebedrag zou hebben opgevoerd.1.En ook de reden die de benadeelde partij heeft opgegeven voor de omstandigheid dat het geld niet op een bankrekening is gestort, staat daar niet aan in de weg. Ik roep in herinnering dat selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is. De stellers van het middel voeren niet aan dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat meebrengt dat de feitenrechter die selectie en waardering op dit punt nader had dienen te verantwoorden.
10. Het middel faalt.
De vordering van de benadeelde partij en de beslissing van het hof
11. De (herstel)vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] houdt ten aanzien van de gevorderde immateriële schade het volgende in:
‘4B Immateriële schade (smartengeld)
(…)
Omschrijving immateriële schade Bijlage
Zie schade-onderbouwing 1
Totaal immateriële schade € 500,00
(…)
Schade-onderbouwingsformulier Bijlage 1
(…)
Psychische gevolgen
Benadeelde was ten tijde van het misdrijf in de woning aanwezig. Verdachte heeft zichzelf toegang tot haar woning verschaft door zich voor te doen als loodgieter, omdat er sprake zou zijn van een lekkage.
Benadeelde vertrouwde erop dat verdachte daadwerkelijk een loodgieter was en heeft hem binnengelaten. Terwijl verdachte op de bovenste verdieping zogenaamd bezig was met het oplossen van de lekkage, moest benadeelde van hem in de keuken zitten en kijken naar het sifon om na te gaan of er water aan het lekken was. Benadeelde keek naar het sifon en ondertussen liep verdachte achter haar langs naar buiten met de weggenomen goederen. Gedurende het misdrijf was benadeelde niet bang, omdat zij erop vertrouwde dat verdachte daadwerkelijk een loodgieter was.
Nadat benadeelde erachter kwam dat er goederen waren weggenomen, was zij ontzettend verdrietig en bang. Ook gaf benadeelde zichzelf de schuld, omdat zij verdachte heeft binnengelaten. De weggenomen sieraden hebben een grote emotionele waarde voor benadeelde. Het zijn sieraden van haar overleden moeder, die benadeelde op haar beurt weer aan haar dochter wenste na te laten. Daarnaast heeft benadeelde een groot gedeelte van haar leven gespaard voor het geld dat is weggenomen.
Als gevolg van het misdrijf heeft benadeelde een langere periode na het misdrijf moeite gehad met slapen.
Tot op heden (begin oktober 2022) voelt benadeelde zich niet veilig in haar eigen woning. Benadeelde heeft nu ook een alarmknop gekregen, zodat zij zich veiliger kan voelen. Benadeelde woont in een aanleunwoning en heeft altijd dezelfde huishoudelijke hulp. Behalve haar familie en de huishoudelijke hulp laat benadeelde bijna geen mensen meer toe in haar woning. De angst voor mensen blijft gelukkig wel beperkt binnen de woning. Benadeelde durft wel naar buiten.
(…)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Benadeelde is door het handelen van verdachte op 'andere wijze in de persoon aangetast', zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
Juridisch kader: Een aantasting in de persoon kan in de eerste plaats worden aangenomen indien er sprake is van geestelijk letsel dat voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Volgens de Hoge Raad is hiervan niet alleen sprake indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin is vereist dat het letsel door een psychiater of psycholoog is vastgesteld (zie r.o. 2.6.1 in ECLI:NL:HR:2021:1024). De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat een huisarts een ter zake bevoegde en bekwame deskundige is, op basis van wiens rapportage de rechter tot het oordeel kan komen dat sprake is van geestelijk letsel (ECLI:NL:HR:2022:958). Ook als er geen sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, kan een aantasting in de persoon worden aangenomen, namelijk indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor benadeelde die conclusie rechtvaardigen. In beide gevallen dient de benadeelde voldoende gegevens aan te voeren om de conclusie te kunnen trekken. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de hand liggen, ook zonder onderbouwing met concrete gegevens (zie: ECLI:NL:HR.2019:376, r.o. 4.2.1).
Aard/ernst normschending in combinatie met de gevolgen: Het doelgericht oplichten van kwetsbare ouderen is een ernstige normschending, die voor slachtoffers zeer nadelige gevolgen kan meebrengen. Naast gevoelens van onveiligheid (o.a. door betreden van de eigen woning), leidt het tot verlies van vertrouwen in de medemens. Dat is nadelig, omdat juist kwetsbare mensen afhankelijk zijn van hun medemens. Dit, in combinatie met de hierboven beschreven nadelige gevolgen, rechtvaardigen de conclusie dat er sprake is van aantasting in de persoon, waardoor een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegewezen. Als voorbeeld wordt verwezen naar ECLI:NL:RBNHO:2021:969, r.o. 7.3 en ECLI:NL:RBLIM:2021:4028, r.o. 7.4. In beide uitspraken zijn kwetsbare ouderen opgelicht en werd aantasting in de persoon aangenomen.
Hoogte immateriële schadevergoeding
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld.
Volgens vaste jurisprudentie zijn onder andere richtinggevend voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld:
- de aard en ernst van de normschending;
- de aard en ernst van het letsel,
- de aard, omvang en duur van de gevolgen.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar toegewezen bedragen in vergelijkbare gevallen.
Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt verwezen naar onderstaande uitspraak.
Rechtbank Midden-Nederland, 03-09-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4296
De smartengeldvergoeding in deze zaak bedraagt € 500,-.
Samenvatting: Verdachte heeft samen met andere kwetsbare ouderen opgelicht, door zich voor te doen als bankmedewerker en op slinkse wijze de bankpassen afhandig te maken. Hij heeft de pincodes ontcijferd en geld van de rekeningen gehaald waar de slachtoffers hard voor hadden gespaard. Slachtoffers waren bewust uitgezocht op hoge leeftijd.
Overeenkomstig aangehaalde zaak heeft verdachte benadeelde in casu opgelicht, door zich voor te doen als een monteur en daarmee toegang tot haar woning te verschaffen.
Anders dan in aangehaalde zaak, is de bankpas van benadeelde in casu niet afhandig gemaakt en is haar pincode ook niet ontcijferd. Verdachte heeft zich niet voorgedaan als een bankmedewerker, maar als een monteur. Benadeelde in casu heeft verdachte echter eveneens in goed vertrouwen binnengelaten en zijn aanwijzingen opgevolgd.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 500,- en thans opeisbaar is.’
12. Het bestreden arrest houdt inzake de strafmotivering, de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel het volgende in:
‘Oplegging van straf
(…)
De verdachte is op doortrapte wijze, door zich voor te doen als loodgieter, de woning van het (hoog)bejaarde en kwetsbare slachtoffer ingegaan om geld, papieren bescheiden en sieraden met een grote, ook emotionele waarde te stelen. De verdachte heeft daarbij grof misbruik gemaakt van het vertrouwen dat door het slachtoffer in de medemens werd gesteld. De verdachte is kennelijk uitsluitend uit geweest op het behalen van eigen financieel voordeel zonder zich te bekommeren om de impact die een dergelijk misdrijf op het slachtoffer heeft. Het slachtoffer heeft niet alleen financieel groot nadeel geleden – een deel van het gestolen geld was nota bene bestemd voor de uitvaart van haar inmiddels overleden man – ook is inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Daarbij acht het hof van betekenis dat het slachtoffer in haar eigen woning listiglijk is bestolen, terwijl zij daar aanwezig was. Haar gevoel van veiligheid, dat men bij uitstek in en rond de eigen woning moet kunnen ervaren, is ernstig aangetast. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50.500,00, bestaande uit € 50.000,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.
De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij hetzelfde te beslissen als de politierechter in eerste aanleg.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering ter zake van geleden materiële schade gesteld dat deze schade voor een gedeelte bestaat uit het weggenomen geld ter waarde van € 20.000,00 en voor het, andere gedeelte uit de waarde van de weggenomen sieraden, begroot op € 30.000,00. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van het geld oordeelt het hof dat dit bedrag voldoende onderbouwd is. Deze schade vloeit rechtstreeks uit de bewezenverklaring voort. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van de sieraden oordeelt het hof dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof beschikt ook niet over voldoende gegevens om een verantwoorde schatting van deze schade te kunnen maken. De benadeelde partij kan daarom ten aanzien van dit gedeelte van de gestelde materiële schade in de vordering niet worden ontvangen.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar kan zich ook voordoen indien uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is.
Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij de verdachte, die zich voordeed als loodgieter, haar woning heeft binnengelaten omdat er volgens de verdachte een lekkage in de woning was. De verdachte heeft de benadeelde partij geïnstrueerd om de straal water uit de keukenkraan in de gaten te houden, terwijl hij ondertussen op diverse plekken in de woning goederen heeft weggenomen. De benadeelde partij is er op een later moment achter gekomen dat onder meer de kluis met geld, en sieraden zijn weggenomen en dat zij slachtoffer was van een babbeltruc. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij – een, naar de verdachte wist, (hoog)bejaarde vrouw – gevoelens van angst, schuld en wantrouwen bekomen. Zij voelde zich zo onveilig in haar eigen woning dat zij een alarmknop heeft gekregen en zij durft geen onbekenden meer toe te laten in haar woning. Gelet op het voorgaande, met name ook het gegeven dat de benadeelde partij aanwezig was in de woning terwijl de diefstal plaatsvond en de dader heeft gezien, en de stellingen omtrent de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij, die niet door de verdediging zijn betwist, is het hof van oordeel dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 20.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van hef slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 juli 2021.’
Bespreking van het tweede middel
13. Het middel betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade. Nu een vermogensdelict bewezen is verklaard en meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen niet voldoende is om te spreken van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 BW en het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ niet dan wel onvoldoende is vastgesteld, zou het oordeel van het hof ter zake tekortschieten.
14. Art. 6:106 BW luidt als volgt:
‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.’
15. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):2.
‘2.4.5 Van (…) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’
16. In een arrest van 15 oktober 2019 heeft Uw Raad het volgende overwogen:3.
‘2.4.1 Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de inbraak in de woning van de benadeelde partijen en de diefstal van sieraden uit die woning door de verdachte. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.
2.4.2 Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is onjuist, althans onbegrijpelijk.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de (…) gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp – naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt – ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.’
17. In een arrest van 13 juli 2021 was sprake van een zaak waarin de verdachte, in de samenvatting van A-G Aben, ‘dertien slachtoffers, waarbij het veelal ging om hoogbejaarden, telefonisch de pincode afhandig heeft gemaakt door middel van zogeheten ‘babbeltrucs’’.4.Uw Raad overwoog dat het hof kennelijk had geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake was ‘van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, kort gezegd oplichting en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.’ Dat oordeel was volgens Uw Raad niet begrijpelijk ‘nu het hof niets heeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde. De motivering dat vergoeding van de gestelde immateriële schade “billijk” voorkomt, volstaat daartoe niet.’ Uw Raad oordeelde dat gelet op de eerdere geciteerde overweging in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij en op ‘wat in dit geding ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 150 is aangevoerd, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van de zaak na vernietiging door de Hoge Raad teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, een onevenredige belasting van het strafgeding, zoals bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, zou opleveren’ en verklaarde de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk in haar vordering.
18. Het hof heeft (ook) in de onderhavige zaak geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Inzake de aard en ernst van de normschending heeft het hof vastgesteld dat sprake is van ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid’. Wat de gevolgen betreft heeft het hof vastgesteld dat een kluis met geld en sieraden zijn weggenomen, dat de benadeelde partij ‘gevoelens van angst, schuld en wantrouwen (heeft) bekomen’, dat zij een alarmknop heeft gekregen en dat zij geen onbekenden meer durft toe te laten in haar woning. Die vaststellingen zijn naar het mij voorkomt niet toereikend om aan te nemen dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad in het arrest van 15 oktober 2019 heeft overwogen dat het ‘niet is uitgesloten’ dat een inbraak in een woning ‘dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon’. Deze formulering duidt op een regel waarop in bijzondere omstandigheden een uitzondering mogelijk is. De gevolgen die de diefstal (zonder geweld) in de onderhavige zaak voor de benadeelde partij heeft gehad, zijn – meen ik – niet dermate ingrijpend (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij een uitzondering op de regel rechtvaardigen.
19. Het middel slaagt.
20. Mede in het licht van de geciteerde overweging uit het overzichtsarrest van de benadeelde partij en op wat ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500,- is aangevoerd, moet – meen ik – worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van de zaak na vernietiging door Uwe Raad teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat brengt mee dat Uw Raad de zaak naar het mij voorkomt zelf kan afdoen.
Afronding
21. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt ertoe
- de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast;
- te bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast; en
- het beroep voor het overige te verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑05‑2025
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.
HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga.
Randnummer 5 van de conclusie voorafgaand aan HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1127.
Beroepschrift 17‑06‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/03272
Betekening aanzegging: 22 april 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte],
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230319
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 augustus 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 20.500,-, de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest opgenomen. Ten slotte is een inbeslaggenomen geldbedrag teruggegeven aan de verdachte.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder art. 36f Sr en de artt. 359, 361 jo. 415 Sv, en wel omdat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verdachte op 30 juli 2021 een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000,- (twintigduizend) euro heeft weggenomen onvoldoende met redenen is omkleed in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, met name gelet op hetgeen door de verdediging, de officier van justitie, de rechtbank en de advocaat-generaal hebben aangevoerd/overwogen/geoordeeld ten aanzien van gestelde materiële schade, te weten dat door de benadeelde partij ook een bedrag ad € 13.000,- in plaats van € 20.000,- is opgevoerd en dat de gestelde schade ad € 20.000,- onvoldoende is onderbouwd. Dit klemt te meer nu uit de in eerste aanleg door de benadeelde partij aangevoerde reden voor de aanwezigheid van dat geldbedrag is aangevoerd dat het geldbedrag niet op een bankrekening was gestort omdat de benadeelde partij geen vertrouwen heeft in de bankwereld terwijl een dergelijk motief in geval van de aanwezigheid van een groot bedrag in een woning en de verdenking van witwassen door de rechter direct terzijde pleegt te worden geschoven als zijnde hoogst onwaarschijnlijk.
Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘hij op of omstreeks 30 juli 2021 te [a-plaats]
in/uit een woning aan de [a-straat 01],
- —
een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (zegge; twintigduizend) euro en/of papieren bescheiden, en/of
- —
een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 2.000 (zegge; tweeduizend) euro, en/of
- —
een groot aantal sieraden, waaronder één of meer (gouden) ketting(en) en/of één of meer paar oorsieraden,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft Weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft Verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse hoedanigheid, immers heeft hij zich voorgedaan als een loodgieter die ter oplossing van een niet-bestaand probleem in de woning van het slachtoffer moest zijn.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is onder meer gerelateerd:
‘Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is ter terechtzitting aanwezig: mevrouw [naam 1] werkzaam bij Slachtofferhulp.
(…)
Mevrouw [naam 1] (Slachtofferhulp) voert namens de benadeelde partij [benadeelde 1] het woord als volgt:
Ik heb voor het opstellen van de vordering van de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de aangifte. Aangeefster heeft uitgeschreven wat voor sieraden het zijn geweest. Het gevorderde bedrag is het bedrag dat mevrouw [benadeelde 1] denkt dat de sieraden waard zijn. Zij heeft geen foto's. Het contante geld zat in envelopjes. Het was bedoeld voor de kinderen, de uitvaart van haar man en voor onverwachte uitgaven. De hele kluis is meegenomen.
Toen zij op vakantie gingen is door haar man nog gekeken hoeveel ze hadden. Ze wilden het geld niet op de bank zetten, dat vertrouwden ze niet.
(…)
De officier van justitie vordert dat de politierechter:
(…)
- —
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 500,- (voor de immateriële schade) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36 van het Wetboek van Strafrecht en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;
(…)
De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig de inhoud van een in kopie aan het digitale dossier toegevoegde pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.
Buiten de pleitnotitie voert de raadsman nog het woord als volgt:
(…)
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:
Ik verzoek om afwijzing van het materiële deel.
Met betrekking tot het immateriële deel heb ik geen opmerkingen.
(…)’
1.3
In de pleitnotitie is onder meer aangevoerd:
‘Vordering benadeelde partij
- 27.
Niet-ontvankelijk in verband met bepleite vrijspraak.
- 28.
Subs matiging van de vordering (thans verzocht € 50.000).
- a.
In eerdere vordering verzocht om € 21.000,-
- i.
Dat was hele kluis (€ 18.000) en sieraden op € 3000,- ipv € 30.000,-
- b.
In aangifte ook € 20.000 (gehele inhoud kluis) genoemd en sieraden;’
1.4
In het vonnis heeft de politierechter bewezen verklaard dat:
‘hij op 30 juli 2021 te [a-plaats]
uit een woning aan de [a-straat 01],
- —
een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten en papieren bescheiden en
- —
een groot aantal sieraden, die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, immers heeft hij zich voorgedaan als een loodgieter die ter oplossing van een niet-bestaand probleem in de woning van het slachtoffer moest zijn.’
1.5
In het vonnis is de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 500,-. De benadeelde partij is ten aanzien van de materiële schade niet ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen/geoordeeld dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.
1.6
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep in gesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 augustus 2023 is onder meer gerelateerd:
‘De advocaat-generaal voert het woord en leest de vordering voor. Deze wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. Hij voert aan:
(…)
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij vorder ik afwijzing van het materiële deel, bij gebrek aan onderbouwing, en toewijzing van het immateriële deel.
De raadsman voert het woord tot verdediging aan de hand van dp schrift gestelde pleitnotities.’
1.7
In de pleitnotities is onder meer aangevoerd:
- ‘•
Ik concludeer derhalve tot vrijspraak;
- •
Mocht Uw Hof evenwel in navolging van de politierechter komen tot een vrijspraak, dan verzoek ik Uw Hof ten aanzien van de vordering benadeelde partij hetzelfde te oordelen als de rechtbank;
- •
Concreet is dat 500,- immaterieel en voor het overige niet-ontvankelijk.’
1.8
In het arrest is bewezenverklaard dat:
‘hij op 30 juli 2021 te [a-plaats] uit een woning aan de [a-straat 01],
- —
een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (twintigduizend) euro en papieren bescheiden, en
- —
een geldbedrag in contanten en
- —
een groot aantal sieraden,
dat/die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, immers heeft hij zich voorgedaan als een loodgieter die ter oplossing van een niet-bestaand probleem in de woning van het slachtoffer moest zijn.’
1.9
Deze bewezenverklaring steunt, voor zover (voor ten aanzien van aard van het gestolene en het middel van belang), op de volgende bewijsmiddelen:
‘1. Een proces-verbaal van aangifte van 31 juli 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina's 20 tot en met 22.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 juli 2021 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 1]:
Ik doe aangifte van ‘gekwalificeerde diefstal in/uit woning’ mede namens [benadeelde 2], gepleegd op 30 juli 2021 te [a-plaats].
Ik woon aan de [a-straat 01] te [a-plaats].
We (het hof begrijpt: de aangeefster en haar man [benadeelde 2]) waren vanmiddag samen thuis. De deurbel ging en ik deed open. Ik zag dat er een man voor de deur stond. De man zei tegen mij dat hij voor loodgietersbedrijf [A] werkte en dat hij boven onze woning een lekkage aan het verhelpen was. Er zou een plas water in de woning staan en de man wilde bij ons inspecteren of alles in orde was. Ik liet de man binnen.
De man liep met mij naar de keuken en ging wat rommelen aan het sifon onder de wasbak in de keuken. Hij deed dit met zijn blote handen. Hij deed de kraan in de keuken aan en zei dat ik daarnaar moest blijven kijken en dat hij dan wat dingen ging controleren in het toilet.
De man liep de woning in en ik hoorde dat hij het toilet een aantal keren doortrok. Vervolgens zei de man dat hij weer verder moest kijken en dat hij straks terug kwam. Na ongeveer een kwartier kwam de man terug, waarna hij zei dat hij de douche nog moest controleren.
Ik moest in de keuken blijven kijken naar de straal uit de kraan.
(…)
Op een gegeven moment ging de man weer weg. Hij is daarna niet meer teruggekomen. Later liep ik naar onze logeerkamer. Ik zag dat een van de kastdeuren open stond. Ik zag dat de kluis, die normaal onderin de linkerzijde van de kast staat, was verdwenen. In deze kluis lag ongeveer € 20.000,00 aan contant geld in briefjes van € 50,00 en € 100,00. In de kluis zaten verder verzekeringspapieren. Ik heb de kluis van de week nog in de kast zien staan. In de tussentijd is er niemand bij de kluis geweest,
2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster van 24 augustus 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina's 27 en 28.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 augustus 2021 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 1]:
Op 30 juli 2021 zijn wij slachtoffer geworden van diefstal door middel van een babbeltruc. Ik heb die dag aangifte gedaan bij de politie, maar ik kwam er later achter dat er nog meer geld en sieraden zijn gestolen. Het geld zat in de onderste lade van de kaptafel die naast het bed in de slaapkamer staat. De sieraden zaten in een doosje in mijn beautycase in de hangkast in de slaapkamer.
3. Een geschrift, te weten een bijlage goederen, opgemaakt op 24 augustus 2021 en ondertekend door de aangeefster en de verbalisant, doorgenummerde pagina's 24 tot en met 26.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, onder meer in:
Meerdere kettingen, een hanger en meerdere oorsieraden.’
1.10
Het hof heeft het toewijzen van € 20.500,- aan de benadeelde partij (en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel) als volgt gemotiveerd, voor zover hier van belang :
‘Materiële schade
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering ter zake van geleden materiële schade gesteld dat deze schade voor een gedeelte bestaat uit het weggenomen geld ter waarde van € 20.000,00 en voor het, andere gedeelte uit de waarde van de weggenomen sieraden, begroot op € 30.000,00. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van het geld oordeelt het hof dat dit bedrag voldoende onderbouwd is. Deze schade vloeit rechtstreeks uit de bewezenverklaring voort. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gestelde materiële schade die is ontstaan door het wegnemen van de sieraden oordeelt het hof dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof beschikt ook niet over voldoende gegevens om een verantwoorde schatting van deze schade te kunnen maken. De benadeelde partij kan daarom ten aanzien van dit gedeelte van de gestelde materiële schade in de vordering niet worden ontvangen.’
Immateriële schade
(…)
Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 20.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.’
1.11
De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verdachte op 30 juli 2021 een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (twintigduizend) euro heeft weggenomen is onvoldoende met redenen omkleed in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, met name gelet op hetgeen door de verdediging, de officier van justitie, de rechtbank en de advocaat-generaal hebben aangevoerd/overwogen/geoordeeld ten aanzien van gestelde materiële schade, te weten dat door de benadeelde partij ook een bedrag ad € 13.000,- in plaats van € 20.000,- is opgevoerd en dat de gestelde schade ad € 20.000,- onvoldoende is onderbouwd. Dit klemt te meer nu uit de in eerste aanleg door de benadeelde partij aangevoerde reden voor de aanwezigheid van dat geldbedrag is aangevoerd dat het geldbedrag niet op een bankrekening was gestort omdat de benadeelde partij geen vertrouwen heeft in de bankwereld terwijl een dergelijk motief in geval van de aanwezigheid van een groot bedrag in een woning en de verdenking van witwassen door de rechter direct terzijde pleegt te worden geschoven als zijnde hoogst onwaarschijnlijk.
1.12
Het arrest kan, wat betreft de bewezenverklaring en de beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (inclusief de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel) niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6:106 BW, 36f Sr alsmede 359, 361, 415 en 423 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof diefstal van een geldbedrag bewezen verklaard. Voorts heeft het hof geoordeeld dat vast is komen staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden te bedrag van € 500,00 zodat het hof de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot deze schade heeft toegewezen en verdachte te dier zake de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd. Het hof heeft daartoe overwogen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde een, naar de verdachte wist, (hoog)bejaarde vrouw — gevoelens van angst, schuld en wantrouwen bekomen; zij voelde zich zo onveilig in haar eigen woning dat zij een alarmknop heeft gekregen en zij durft geen onbekenden meer toe te laten in haar woning. Gelet op het voorgaande, met name ook het gegeven dat de benadeelde partij aanwezig was in de woning terwijl de diefstal plaatsvond en de dader heeft gezien, en de stellingen omtrent de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij, die niet door de verdediging zijn betwist, is het hof van oordeel dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Gelet op dat omstandigheid dat een vermogensdelict bewezen is verklaard; meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen niet voldoende is om aan te kunnen worden gemerkt als aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 BW en het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ niet althans onvoldoende is vastgesteld schiet het oordeel van het hof te kort zodat de beslissing ten aanzien van de toewijzing van de immateriële schade en daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven.
Toelichting:
2.1
In het arrest is bewezenverklaard dat:
‘hij op 30 juli 2021 te [a-plaats] uit een woning aan de [a-straat 01],
- —
een kluis met inhoud, waaronder een geldbedrag in contanten ten bedrage van ongeveer 20.000 (twintigduizend) euro en papieren bescheiden, en
- —
een geldbedrag in contanten en
- —
een groot aantal sieraden,
dat/die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse hoedanigheid, immers heeft hij zich voorgedaan als een loodgieter die ter oplossing van een niet-bestaand probleem in de woning van het slachtoffer moest zijn.’
2.2
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50.500,00, bestaande uit € 50.000,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
(…)
Immateriële schade
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede haam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar kan zich ook voordoen indien uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Hierbij moet de rechter rekening houden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij de verdachte, die zich voordeed als loodgieter, haar woning heeft binnengelaten omdat er volgens de verdachte een lekkage in de woning was. De verdachte heeft de benadeelde partij geïnstrueerd om de straal water uit de keukenkraan in de gaten te houden, terwijl hij ondertussen op diverse plekken in de woning goederen heeft weggenomen. De benadeelde partij is er op een later moment achter gekomen dat onder meer de kluis met geld, en sieraden zijn weggenomen en dat zij slachtoffer was van een babbeltruc. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij — een, naar de verdachte wist, (hoog)bejaarde vrouw — gevoelens van angst, schuld en wantrouwen bekomen. Zij voelde zich zo onveilig in haar eigen woning dat zij een alarmknop heeft gekregen en zij durft geen onbekenden meer toe te laten in haar woning. Gelet op het voorgaande, met name ook het gegeven dat de benadeelde partij aanwezig was in de woning terwijl de diefstal plaatsvond en de dader heeft gezien, en de stellingen omtrent de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij, die niet door de verdediging zijn betwist, is het hof van oordeel dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna tenoemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van hef slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.500,00 (twintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 20.000,00 (twintigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)’
2.3
In het overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, over de vordering van de benadeelde partij, heeft de Hoge Raad, onder meer overwogen dat van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
2.4
De vergoeding van het hier bedoelde ‘nadeel dat niet in vermogensschade bestaat’, dat wil zeggen: van immateriële schade die het gevolg is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ (dan doordat deze persoon lichamelijk letsel heeft opgelopen of in zijn eer en goede naam is geschaad), vergt het bestaan van voldoende ernstige psychische schade die aan deze persoon is toegebracht. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de grondslag van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde delict ‘geestelijk letsel’ heeft opgelopen. Voor persoonsaantasting als hier bedoeld is meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen niet voldoende. ‘Geestelijk letsel’ draagt een meer duurzaam en ingrijpend karakter dan bijvoorbeeld ‘geestelijke pijn’. Nodig is dat het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ kan worden vastgesteld.1.
2.5
Het bestaan van geestelijk letsel is echter niet strikt noodzakelijk voor de vergoeding van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Ernstige psychische schade kan ook worden aangenomen in andere gevallen dan van geestelijk letsel, maar dat zal met concrete gegevens moeten worden onderbouwd. In een zaak waarin een dergelijke ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ het gerechtshof reden gaf voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade betrof emotionele schade die het gevolg was van de diefstal van een voorwerp waaraan de eigenaars zeer gehecht waren. De omstandigheid dat een voorwerp — naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt — ook een ‘emotionele waarde’ had, volstond volgens de Hoge Raad evenwel in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.2. Ook de zaak waarin (net zoals i.c. het geval is) sprake was van een ‘babbeltruc’ en waarin onder meer door de hoogbejaarde aangever was aangevoerd dat er ‘eigenlijk sprake was van een trauma’, ‘dat er iemand aan je spullen heeft gezeten, daar kom je eigenlijk niet overheen’ en de aangever nog steeds ‘een gevoel van onveiligheid’ had was onvoldoende om te kunnen spreken van aantasting in persoon ‘op andere wijze’.3. Diefstal gepleegd door een thuiszorgmedewerkster bij een kwetsbare aangeefster thuis en waarin aangeefster had gesteld dat zij psychische gevolgen ervaart door het incident nu zij sinds het bewezenverklaarde angstig en wantrouwend is was volgens het hof Arnhem-Leeuwarden onvoldoende om ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ aan te kunnen nemen. Dat de benadeelde partij dit als erg onplezierig heeft kunnen ervaren en dat dit haar vertrouwen in algemene zin heeft kunnen beschadigen stond naar het oordeel van het hof buiten kijf, maar dat bracht niet mee dat reeds om die reden aangenomen kan worden dat sprake is van geestelijk letsel.4.
2.6
Gelet op dat omstandigheid dat een vermogensdelict bewezen is verklaard; meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen niet voldoende is om aan te kunnen worden gemerkt als aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 BW en het bestaan van geestelijk letsel ‘naar objectieve maatstaven’ niet althans onvoldoende is vastgesteld schiet het oordeel van het hof te kort zodat de beslissing ten aanzien van de toewijzing van de immateriële schade en daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 17 juni 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑06‑2024
Vgl. randnummer 68 CAG Aben 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:705
HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468.
HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1127.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 maart 2023, ECLI:L:GHARL:2022:2274.