Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.2.2
6.2.2 Vennootschappelijke doorwerking van de aandeelhoudersovereenkomst
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971878:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Hof Amsterdam (OK) 15 juni 2023, ARO 2023/94 (SleeperCharger), r.o. 3.3; Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3864 (Riamo), r.o. 3.5.3; Hof Amsterdam (OK) 30 december 2008, JOR 2009/128 (Delta), r.o. 3.8; en Hof Amsterdam (OK) 8 mei 2002, JOR 2002/112 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Broadnet), r.o. 3.3. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, JOR 2000/72 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Versatel), r.o. 3.4. Zie voorts buiten het enquêterecht Rb. ’s-Gravenhage 1 augustus 2012, JOR 2012/286 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vanka-Kawat).
Zie onder meer de literatuuroverzichten in Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2021, nr. 178; en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 108. Van Solinge en Nieuwe Weme betogen voorts terughoudendheid indien dat niet het geval is, maar sluiten ook dan de mogelijkheid van doorwerking niet categorisch uit (Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 108 onder d).
Zie onder meer Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 108 onder c; Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 178; Van Schilfgaarde 2002, p. 640; en Nowak & Van Duuren 2013, p. 338. Zie voorts Hof Amsterdam (OK) 15 juni 2023, ARO 2023/94 (SleeperCharger), r.o. 3.3, waaruit een pragmatische benadering blijkt: “SleeperCharger fungeert als vehikel van twee ondernemers [namelijk Morten en Van Tol – toev. PH] waarin deze hun gezamenlijk opgezette onderneming hebben ondergebracht. De voorwaarden van hun samenwerking zijn niet alleen neergelegd in de statuten van SleeperCharger, maar ook (en met name) in de SHA. Alle aandeelhouders bij SleeperCharger ten tijde van het aangaan van de SHA zijn partij bij de SHA, evenals SleeperCharger zelf en Morten en Van Tol. Onder die omstandigheden wordt hetgeen door redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 2:8 BW wordt gevorderd mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. (…) Het gegeven dat de STAK – die is opgericht ná het aangaan van de SHA – geen partij is bij de SHA, doet daaraan in dit geval niet af. Het bestuur van STAK wordt namelijk gevormd door Morten en Van Tol, terwijl de STAK geen certificaten heeft uitgegeven.”
Daarmee is overigens niet bedoeld dat het irrelevant is of de vennootschap partij is. Zie bijvoorbeeld Van Schilfgaarde 2002, p. 640, waarin wordt betoogd dat vennootschappelijke doorwerking ‘in het bijzonder’ kan worden toegekend aan een aandeelhoudersovereenkomst waarbij niet alleen alle aandeelhouders maar ook de vennootschap partij zijn. Op vergelijkbare wijze stelt Kroeze dat de vennootschap ‘bij voorkeur’ partij is bij de aandeelhoudersovereenkomst (Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 178), maar dat dit geen constitutief vereiste is om tot doorwerking te komen. Vgl. Van Veen 2018, p. 104-105. Terughoudender is onder meer Dortmond, die als aanvullend criterium noemt dat ofwel de vennootschap zich akkoord heeft verklaard met die overeenkomst, ofwel in de statuten dat vereiste is opgenomen dat aandeelhouders partij bij de overeenkomst moeten zijn (zie Handboek 2013, nr. 217.2). Assink verwerpt doorwerking in meer algemene zin als ‘categorische hoofdregel’, ook indien de vennootschap partij is bij de aandeelhoudersovereenkomst, en bepleit een meer casuïstische en terughoudende benadering (Zie Assink/Slagter 2013, p. 843).
Vgl. Van Schilfgaarde 2002, p. 641, waarin wordt gesproken over “de mate van “vennootschapsrechtelijke werking” die men op het oog heeft”. Dit impliceert dat doorwerking geen binair gegeven is, maar dat er verschillende gradaties van doorwerking denkbaar zijn.
Zie onder meer Hof Amsterdam (OK) 15 juni 2023, ARO 2023/94 (SleeperCharger), r.o. 3.3, waarin is overwogen dat “hetgeen door redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 2:8 BW wordt gevorderd mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. (…) Hetzelfde geldt voor het belang van de vennootschap.”; en Hof Amsterdam (OK) 30 december 2008, JOR 2009/128 (Delta), r.o. 3.8. Dit is voor wat betreft de invulling van het vennootschappelijk belang bevestigd in HR 10 februari 2023, JOR 2023/119 m.nt. B. Kemp (Cordial III), r.o. 3.4.2; en HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.2.1. Vgl. voorts Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, JOR 2000/72 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Versatel), r.o. 3.4. Zie buiten het enquêterecht Rb. ’s-Gravenhage 1 augustus 2012, JOR 2012/286 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Vanka-Kawat).
Vgl. bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, JOR 2000/72 m.nt. J.M. Blanco Fernández (Versatel), waarin is overwogen dat een joint venture-partner buiten vergadering aanspraak kon maken op bepaalde informatie van de vennootschap “mede in aanmerking genomen de achtergrond en de aard van de samenwerking tussen de partijen” (r.o. 3.8); Hof Amsterdam (OK) 24 februari 2017, ARO 2017/72 (Care Group), r.o. 3.5, waarin is overwogen dat het “mede gelet op het besloten karakter van de vennootschap, voor de hand [ligt] dat die overeengekomen informatie- en overlegverplichting ook bestaat buiten het kader van een (formele) aandeelhoudersvergadering”.
Zie ook Van Schilfgaarde 2016, p. 216 e.v.
HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.2.1. Zie in gelijke zin HR 10 februari 2023, JOR 2023/119 m.nt. B. Kemp (Cordial III), r.o. 3.4.2.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282 (Jeezet/Synpact), r.o. 3.24, waarin de aard van de vennootschap als joint venture als relevant gezichtspunt werd genoemd voor het toekennen van een informatierecht buiten vergadering ex artikel 2:8 BW.
Doorwerking van de aandeelhoudersovereenkomst in de vennootschappelijke deelrechtsorde geschiedt via de band van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.1 Of sprake is van dergelijke doorwerking, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de literatuur bestaat discussie over de vraag welke omstandigheden daarbij relevant zijn.2 De heersende leer lijkt te zijn dat voor doorwerking in beginsel is vereist dat alle aandeelhouders partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst,3 zelfs als de vennootschap dat niet is.4 Ik meen dat dit uiteindelijk een casuïstische vraag is die niet te formalistisch dient te worden benaderd.
Relevant voor dit onderzoek is dat de (mate van5) doorwerking van een aandeelhoudersovereenkomst onder meer van invloed kan zijn op de invulling van de gedragsnorm van artikel 2:8 BW en het vennootschappelijk belang.6 De invulling van artikel 2:8 BW heeft gevolgen voor de drempels die gelden voor informatieverstrekking op grond van dit artikel. Hoe lager die drempel, bijvoorbeeld omdat uit de aard en strekking van de aandeelhoudersovereenkomst een grote mate van transparantie blijkt, des te eerder de aandeelhouder aanspraak kan maken op informatie.7 Dit staat los van de (verbintenisrechtelijke) afdwingbaarheid van dergelijke afspraken.
In het verlengde hiervan ligt de invulling van het vennootschappelijk belang.8 Naarmate dat belang meer parallel loopt met de belangen van de aandeelhouders, zal het belang van de vennootschap zich immers minder snel verzetten tegen informatieverstrekking. Dit zou mijns inziens ook moeten resulteren in een ruimhartiger toegang tot informatie. Ik wijs in dit verband ook op de Cancun-beschikking, waarin de Hoge Raad als volgt overwoog:
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). (…) In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”9
De inrichting van het samenwerkingsverband kleurt aldus het vennootschappelijk belang. Daarbij zal met name, maar niet uitsluitend, in joint venture- verhoudingen groot belang worden gehecht aan de contractuele afspraken waarin partijen hun samenwerkingsverband hebben vormgegeven. De doorwerking van die afspraken kan dan meebrengen dat de mate van informatievoorziening aan de aandeelhouders dient te passen bij de inhoud en strekking van de (aandeelhouders)overeenkomst. 10