Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.2.2
4.2.2 De deelregels, de Hoge Raad en de literatuur
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589791:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.9.
Zie § 2.9.
Zie voetnoot 10 van dit hoofdstuk.
Van Schellen 1985a, nr. 39.
HR 29 april 2011,NJ 2011/191 (Bouwcombinatie BR-4/Liander), § 3.42.1. Vgl. ook Spiers conclusie vóór HR 3 oktober 2014,NJ 2014/429 (Swinkels/Saint-Gobain) waarin, na een bespreking van art. 6:98 BW, zuinig wordt vermeld: “In de doctrine wordt vaak met instemming verwezen naar door Brunner destijds geformuleerde ‘deelregels’.” (§ 5.6).
Hartlief 2014, p. 2917.
Zie nr. 231 e.v.
191. De Hoge Raad herhaalt ingeval hij over schadetoerekening oordeelt, zeker in zijn recentere arresten, veelal de formule van art. 6:98 BW: staat de schade in zodanig verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij de laedens, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend?1 De Hoge Raad geeft in zijn beoordeling geen ‘meer’ en ‘minder’ deeloordelen zoals door Brunner voorgestaan, en weegt evenmin dergelijke deeloordelen tegen elkaar af. Ook heeft de Hoge Raad niet de toepassing van deze methode door een feitenrechter gesanctioneerd. De methode als geheel heeft mijns inziens geen steun in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Wel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij het geven van een toerekeningsoordeel alle omstandigheden van het geval moeten worden onderzocht.2 Ook heeft de Hoge Raad over enkele door Brunner in zijn schema opgenomen factoren uitdrukkelijk geoordeeld dat zij relevant kunnen zijn in het kader van de schadetoerekening. De Hoge Raad lijkt op deze wijze vooral zijn opties open te willen houden. In § 4.3 t/m 4.7 bespreek ik in hoeverre hij in zijn jurisprudentie de afzonderlijke deelregels heeft onderschreven.
192. In de literatuur over schadetoerekening wordt, als gezegd, veelal instemmend gewezen naar Brunners deelregels.3 Kritiek is er echter ook. Van Schellen heeft geschreven dat Brunners “schema helemaal geen houvast biedt”.4 Advocaat-generaal Spier suggereerde in zijn conclusie vóór Bouwcombinatie BR-4/Liander de deelregelbenadering achterhaald te vinden. Volgens hem zal
“(…) [n]aar meer gangbare opvattingen (…) schade niet licht buiten de toerekeningsboot (van art. 6:98 BW) vallen. Ook (zelfs) niet wanneer sprake is van een risico-aansprakelijkheid of wanneer de schade zoals deze is opgetreden niet waarschijnlijk of zelfs heel onwaarschijnlijk was.”5
Hartlief heeft, naar aanleiding van het arrest Swinkels/Saint-Gobain,6 de vraag opgeworpen waarom de handboeken nog altijd naar Brunners rechtspraakanalyse uit 1981 verwijzen en in de doctrine de betekenis van de rechtspraak niet opnieuw is doordacht.7 Verder is door diverse auteurs de regel over de betekenis van de mate van schuld bestreden.8