Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.4:10.4.7.4 Het onzakelijkheidsvermoeden in relatie tot de hoofdtoets
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.4
10.4.7.4 Het onzakelijkheidsvermoeden in relatie tot de hoofdtoets
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491792:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van der Burgt, MBB 2010/9.1, onderdeel 4.3.
Vgl. ook Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/1693, onderdeel 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De functie van het onzakelijkheidsvermoeden is dat een verband tussen rechtshandelingen aanwezig wordt geacht. Die rechtshandelingen zijn de splitsing en de opvolgende aandelenoverdracht(en). Dat gebeurt objectief en mechanisch: het verband wordt namelijk verondersteld ingeval aandelen in de gesplitste rechtspersoon en/of een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam. In feite worden op deze manier de subjectieve bedoelingen die de belastingplichtige met de splitsing heeft met behulp van een objectieve en controleerbare gebeurtenis na de splitsing achterhaald.1 Het gevaar van het werken met een veronderstelling is dat het verband in werkelijkheid afwezig kan zijn. Daarom heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Het gaat immers in alle gevallen uiteindelijk om de beoordeling of de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (hoofdtoets). Dat impliceert een motieftoets.2 Ontbreekt in werkelijkheid het verband tussen de splitsing en de opvolgende aandelenoverdracht(en), dan is feitelijk geen sprake van een samenstel van rechtshandelingen. Het motief voor de splitsing is dan niet gelegen in de latere aandelenvervreemding en dus ook niet in het omzetten van belaste winsten op vermogensbestanddelen in onbelaste deelnemingsvoordelen op aandelen. De aandelenoverdracht mag in die gevallen dan ook geen reden zijn om de fiscale facilitering bij de splitsing terug te nemen.