Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/41:41 Extreme procedeerlust
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/41
41 Extreme procedeerlust
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505224:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. D.J. van der Kwaak, ‘Kan procederen onrechtmatig zijn?’, WPNR (2002) 6550, p. 580.
Vgl. Van der Wiel 2004, p. 129 e.v.; Mon. BW A4 (Schrage) 2007, p. 70 e.v..
Rechtbank Almelo 14 augustus 2002, NJ 2002/491.
Rechtbank Almelo 14 augustus 2002, NJ 2002/491, r.o. 6.
Rechtbank Almelo 14 augustus 2002, NJ 2002/491, r.o. 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat bepaald is dat het instellen van een vordering misbruik van procesrecht vormt, en daarmee onrechtmatig is,1 is de vervolgvraag of daartegen met preventieve verbodsvorderingen kan worden opgetreden. Met name in zaken waarin sprake is van een extreme procedeerlust van partijen kan de vraag rijzen of op enig moment daartegen een dam moet worden opgeworpen. In dergelijke gevallen is immers geen sprake meer van een rechtens te respecteren redelijk belang bij de uitoefening van de bevoegdheid de wederpartij in rechte te betrekken (vgl. art. 3:303 BW).2
De rechtbank Almelo heeft geoordeeld in een gevalwaarin partijen inmiddels 13 (!) procedures voor de rechtbank hebben gevoerd, waarin steeds dezelfde argumenten aan de ordewaren, dat een verbodsvordering kanworden toegewezen.3 De rechtbank overweegt:
‘De onderhavige zaak is er een voorbeeld van waarin partijen een op zich zelf duidelijke en praktische schikkingsovereenkomst treffen die een eind moet maken aan hun geschillen, maar waarin dochter en vader J. toch weer aan de gemaakte afspraken gaan tornen. Dat laatste gebeurt niet op basis van solide juridische uitgangspunten, maar door het uitrekken van afspraken voorbij de betekenis die partijen redelijkerwijs daaraan mochten geven en voorbij hetgeen partijen terzake redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook proberen zij met een beroep op beweerdelijke vormfouten de gemaakte afspraken te annuleren. De rechtbank heeft alle argumenten die dochter en vader J. aangedragen hebben om weer van voor af aan te mogen beginnen met het geschil dat partijen verdeeld houdt, als ongegrond terzijde geschoven. Verder valt op dat dochter en vader J. een in de procedure betrokken stelling niet nader toelichten, ondanks verzoek van de rechtbank daartoe. Dat leidt tot de vraag, niet alleen bij de wederpartij maar ook bij de rechtbank, hoe serieus hun stellingen moeten worden genomen. Van de lust tot procederen blijkt uit het feit dat dochter en vader J. in de onderhavige zaak een vordering instellen, die zij eerder al in een andere zaak instelden (r.o. 9 vonnis 26 april 2000). De rechtbank is bereid uit te gaan van een vergissing, maar toch één die illustratief is voor de manier waarop partijen elkaar in herhaling van zetten blijven bestoken.’4
Vervolgens beslist de rechtbank dat de ‘procedeerlustigen’ hun ‘juridische stalking’ moeten staken op straffe van een dwangsom.5