Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.2.4:19.2.4 Indirecte doorbraak vs. veil piercing en existenzvernichtender Eingriff
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.2.4
19.2.4 Indirecte doorbraak vs. veil piercing en existenzvernichtender Eingriff
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403541:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 4 van Bainbridge 2009.
Zie Millon 2007.
Daar is geen verandering in gekomen sinds het Bundesgerichtshof in 2007 oordeelde dat de aansprakelijkheid van aandeelhouders niet langer plaatsvindt door een directe Durchgriffshaftung, maar voortaan gegrond is op de onrechtmatige daad.
Zie ook de proefschriften van Lennarts 1999 (“Concernaansprakelijkheid”) en Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993 (“Aansprakelijkheid in concernverhoudingen”).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vergelijkt men de Nederlandse benadering van aansprakelijkheid van aandeelhouders met die van de Amerikanen en de Duitsers, dan valt op dat men de problematiek enigszins anders benadert. In de Amerikaanse literatuur komt de aansprakelijkheid van aandeelhouders doorgaans direct aan bod nadat het uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid is behandeld.1 De aansprakelijkheid van aandeelhouders, onder de noemer veil piercing, wordt dogmatisch beschouwd als het spiegelbeeld van de beperkte aansprakelijkheid; de vraag onder welke omstandigheden aandeelhouders aansprakelijk zijn jegens de crediteuren van de vennootschap wordt gezien als een vraag naar de grenzen van de beperkte aansprakelijkheid (the limits of limited liability), en wordt daarom beantwoord in het licht van het doel en de effectiviteit daarvan.2 Ook in de Duitse literatuur wordt de aansprakelijkheid van aandeelhouders in de regel besproken bij § 13 GmbHG, waarin is bepaald dat de aandeelhouders niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de GmbH.3 In Nederland wordt het leerstuk van de indirecte doorbraak van aansprakelijkheid voor een belangrijk deel beschouwd als een onderdeel van concernproblematiek; zo wordt in Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009 de rechtspraak inzake de aansprakelijkheid van aandeelhouders op grond van onrechtmatige daad bijvoorbeeld besproken in het hoofdstuk “concernverhoudingen”, terwijl aandeelhouders ook buiten groepsverhoudingen aansprakelijk kunnen zijn jegens de crediteuren.4 Anderen lijken de aansprakelijkheid van aandeelhouders vooral te zien als een bijzondere categorie van bestuurdersaansprakelijkheid. Illustratief in dit verband is dat in Van Schilfgaarde/Winter 2009 de (indirecte) doorbraak van aansprakelijkheid wordt besproken in het hoofdstuk “het bestuur”. Aandeelhouders kunnen echter ook aansprakelijk zijn uitsluitend vanwege hun handelen als aandeelhouder, zonder dat een tot het bestuur gerichte norm is geschonden.
Ondanks deze verschillen in benadering valt op dat in alle onderzochte landen de aansprakelijkheid van aandeelhouders aanleiding geeft tot dezelfde vragen, en dat deze vragen niet zelden van vergelijkbare antwoorden worden voorzien. Aansprakelijkheid van aandeelhouders, op grond van veil piercing, existenzvernichtender Eingriff of (indirecte) doorbraak, wordt geacht gerechtvaardigd te zijn als de aandeelhouders vanwege hun betrokkenheid bij de vennootschap crediteuren hebben blootgesteld aan onredelijke risico’s.