Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.2
19.6.2 Geringe strafrechtelijke connotatie fiscale boetezaken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498331:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:1 e.v. Awb. Daarin is vastgelegd dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen, kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. De in hoofdstuk VIII, afdeling 1, van de AWR vastgelegde art. 41 t/m 46 geven hieraan verder invulling voor specifiek belastingzaken.
Zie § 14 BBBB. Daarin is vastgelegd dat het verslag van het verhoor de namen en hoedanigheden bevat van degenen die bijstand verlenen. In de regel zijn dat belastingadviseurs, accountants of advocaten. Uit art. 2:2, lid 1 Awb volgt dat de inspecteur de bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, uitgezonderd advocaten (zie art. 2:2, lid 3 Awb) kan weigeren. Dit sluit niet uit dat de boeteling zich tijdens verhoor laat bijstaan door een andere persoon.
Zie nader Schalken, noot onder HR 2 juli 1990, NJ 1990, 751.
Hier kan tegenin worden gebracht dat bestraffing nooit doel op zich is. Zie Corstens 1989, onderdeel 2.1, die erop wijst dat volgens moderne strafrechttheorieën men nooit alleen straft om te straffen. Men straft met het oog op een bepaald doel. Dat doel is in abstracto normhandhaving. Men kan ook zeggen dat men straft om de norm, bijvoorbeeld de verplichting tot het verschaffen van juiste gegevens, in te scherpen. Dit inscherpen is volgens de schrijver nu juist bij uitstek een van de algemeen aanvaarde doeleinden van strafrechtspleging: speciale preventie.
Zie § 1.7.3 hiervoor.
Zie bijvoorbeeld HR 19 juni 1985,BNB 1986/29; NJ 1986, 104 (m.nt. Scheltens).
In deze zin reeds: Nederburgh 1960.
Vgl. de jaarrede van de voorzitter van de Vereniging van Hoge ambtenaren bij het Ministerie van Financiën (VHMF) in: Informatief nr. 74, juli 2013, p. 8. Of dat uitgangspunt kan zijn bij de individuele rechten bij het EVRM, is vooral afhankelijk van het gewicht dat wordt toegekend aan het publieke belang bij een effectieve (en gelijke) belastingheffing van burgers. In de huidige rechtspraak van het Hof prevaleert dit belang niet (zie § 12.3 hiervoor).
De manier waarop de Belastingdienst in fiscale boetezaken optreedt respectievelijk bewijs van de (potentiële) boeteling verkrijgt, wordt in belangrijke mate bepaald door de verwevenheid van het heffings- en boeteonderzoek. Er is weinig ruimte voor grote verschillen in aanpak en benadering van de (potentiële) boeteling, naar gelang het onderzoek zich richt op de vaststelling van de verschuldigde belasting en/of het opleggen van een (vergrijp)boete. Sterker, de vraag is of dit onderscheid wel kan worden gemaakt. Veel vragen hebben een gemengd heffings- en boetekarakter. Bovendien zijn fiscale vergrijpen niet steeds aanstonds kenbaar voor fiscaal controleambtenaren vanwege de complexiteit van de belastingwetgeving en het leerstuk van het pleitbare standpunt (welk standpunt het opleggen van een vergrijpboete belet)1.
Rechtskundige bijstand in contacten met de inspecteur
Het eenzijdig repressieve karakter van het fiscaal boeteonderzoek wordt (verder) aan banden gelegd doordat de (potentiële) boeteling zich steeds kan laten bijstaan door een gemachtigde, zoals een (belasting)adviseur, accountant of advocaat.2 Omdat het onderzoek op de voet van art. 47 e.v. AWR weinig formeel is, kan de gemachtigde actief invloed uitoefenen op het verloop van het onderzoek en ook op de oordeelsvorming van de controlerend ambtenaar.
Boeterechtelijk verhoor komt weinig voor; repressief karakter boeteprocedure
Aan de geringe strafrechtelijke connotatie van fiscale boetezaken draagt ook bij, dat daarin weinig formele verhoren plaatsvinden. Zo die al plaatsvinden, dan is gewoonlijk geen sprake van een aard en mate van dwang of pressie die vergelijkbaar is met FIOD-verhoren in (voor nu:) de beslotenheid van de verhoorkamer. Fiscaal controleambtenaren kunnen de boeteling niet ophouden voor verhoor (vgl. in strafzaken art. 61 Sv). Zij beschikken ook niet over de verhoortechnieken en -ervaring van FIOD-ambtenaren. Het boeterechtelijk verhoor is bovendien toegankelijk voor de gemachtigde.3 In de praktijk komt het zelfs voor dat (zuivere) boetevragen rechtstreeks aan de gemachtigde worden gesteld.
Meer in het algemeen heeft het opsporingsonderzoek in (fiscale) strafzaken naar mijn oordeel een duidelijk repressiever karakter vanwege het grotere aantal dwangmiddelen waarover opsporingsambtenaren beschikken, de grotere dreiging van vrijheidsbenemende straffen, de grotere ernst van de onderzochte delicten et cetera. In strafzaken zijn ook (vaker) grondrechten in het geding die tegen ongewilde medewerking bescherming beogen te bieden, met name het recht op onaantastbaarheid van het lichaam in art. 11 Gw en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer art. 10 Gw.4
Belastingheffing en -weerstand zijn vaste maatschappelijke waarden
Ik wijs hier ook op de ‘psychologie’ van de verhouding tussen de inspecteur en belastingplichtige. Die is van andere orde is dan geldt voor de relatie tussen het OM en de verdachte in strafzaken. Boeteoplegging in belastingzaken is niet alleen gericht op vergelding, maar draagt – op veel grotere schaal dan geldt voor relatief schaarse strafrechtelijk optreden tegen belastingfraude – gericht bij aan een adequate belastingheffing en (dus) de gelijkheid van burgers tegenover de heffende overheid.5 De boete in belastingzaken behoort tot de oudste in het bestuursrecht6 en werd tot voor kort treffend een ‘verhoging’ van de verschuldigde belasting genoemd7. Het onderzoek in fiscale (boete)zaken geeft uitdrukking aan het antagonisme tussen fiscus en belastingplichtige, dat gezien de tegenstelling van belangen van beide partijen wel nooit volledig verdwijnen.8 Omdat de bevoegdheden ex art. 47 e.v. AWR geen executoriaal karakter hebben, is geregeld sprake van een kat-en-muisspel tussen inspecteur en belastingplichtige (dat incidenteel wordt beëindigd doordat de Staat de kortgedingrechter vraagt om aan de meewerkplichtige een civiele last onder dwangsom op te leggen). Ik zou menen dat de bescherming van degenen die hun fiscale verplichtingen juist en volledig nakomen, ten minste eenzelfde belang heeft. In deze opvatting dient het accent bij rechtsbedeling evenzeer gelegd te worden op collectieve rechtsbescherming als op de bescherming van het individu; vooral wanneer er een concrete verdenking tegen hem bestaat.9