Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.5
19.6.5 Inbreuken op de fysieke of psychische integriteit
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500781:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Verbeek/Arichi 2011. Schrijvers wijzen erop dat de inspecteur een zeker ‘freies Ermessen’ bij de uitvoering en het toezicht op de naleving van de belastingwetten heeft. Die ruimte betreft niet alleen de discretionaire bevoegdheden en de rechtsvinding, maar ook de bevoegdheid om feiten te kwalificeren en te interpreteren. Hierbij teken ik aan dat de inspecteur geen beoordelingsvrijheid heeft voor wat betreft de rechtsvinding en de kwalificatie en interpretatie van feiten, in zoverre dat die werkzaamheden door het (on)geschreven recht en rechterlijke uitspraken worden genormeerd.
Het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel (vertrouwensbeginsel) zijn bijvoorbeeld ‘harder’. Zie de aantekening van de redactie van V-N onder de uitspraak van het hof Leeuwarden van 29 november 2011, nr. BK 10/00326, in V-N 2012/14.6.
Ook al omdat de betrokkene een stelplicht en bewijslast heeft als het gaat om schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht. Het actieve optreden van de rechter zal omissies of gebreken daarin niet steeds (kunnen) compenseren.
Hiervoor heb ik toegelicht – verdedigd – dat juridische sanctiedreiging vanwege de niet-medewerking aan het fiscale boeteonderzoek, zo dat al is te onderscheiden van het heffingsonderzoek, niet of althans van geringe invloed is op de betrouwbaarheid van het bewijs en de procesautonomie van de boeteling. Dit is anders wanneer fiscaal controleambtenaren over de schreef gaan en de (potentiële) boeteling op ontoelaatbare wijze tegemoet treden. Intimidatie, misleiding, bedrog, onbevoegdelijk handelen en – voor zover hiervan te onderscheiden – miskenning van de (verdedigings)rechten en waarborgen van de (potentiële) boeteling, kunnen de integriteit van de boeteprocedure serieus of zelfs onherstelbaar aantasten. Dan kan vooral worden gedacht aan directe confrontaties waarin de toezichtsambtenaren beletten dat de boeteling met zijn gemachtigde overlegt of waarin zij (ten onrechte) dreigen het OM in te schakelen wanneer de boeteling niet terstond meewerkt. Andere voorbeelden zijn die waarin de boeteling ten onrechte wordt voorgehouden dat sprake is van een derdenonderzoek of dat direct invorderbare aanslagen worden opgelegd als hij niet meewerkt.
Normering door abbb en abbp; EVRM-conforme invulling
Wanneer het optreden van fiscaal toezichtsambtenaren in strijd komt met één of meer beginselen van behoorlijk bestuur (of behoorlijke procesrecht) én de belastingrechter daaraan gevolgen verbindt (vernietiging boetebeschikking, bewijsuitsluiting), dan is aan specifiek nemo tenetur-bescherming geen behoefte. Vanwege de beslissingsruimte van de inspecteur1 is de (belasting)rechter echter vrij terughoudend in het aannemen van schending van één of meer beginselen. Althans, wanneer die beginselen vooral het optreden van de inspecteur in relatie tot de belanghebbende betreffen, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het ‘fair play’-beginsel en het evenredigheidsbeginsel.2 Wanneer andere gronden voor vernietiging van de boetebeschikking of bewijsuitsluiting ontbreken, zoals schending van een wettelijk verschoningsrecht, dan is op zichzelf goed mogelijk dat zich in fiscale boetezaken situaties van ‘improper compulsion’ voordoen, waarin de boetebeschikking zónder erkenning van nemo tenetur in stand blijft.3 Wanneer echter de rechter de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de algemene beginselen van behoorlijk procesrechtEVRM-conform uitleggen, dan is deze zelfstandige betekenis van nemo tenetur voor Nederlandse fiscale boetezaken per saldo gering.
Voor de goede orde, dit oordeel staat los van de uitleg en toepassing die het EHRM geeft aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Vorenstaande ‘toetsing’ van (de normering en de praktijk van en de niet-procedurele (feitelijke) werkelijkheid in) Nederlandse fiscale boeteonderzoeken aan de grondslagen van dat recht, roept wel vragen op over de onverkorte toepassing van de uitspraken van het Hof betreffende fiscale boetezaken (vgl. J.B., Funke en Chambaz) of althans zaken betreffende gedwongen zelfbelasting buiten het klassieke strafrecht (vgl. Shannon en Marttinen). Het recht tegen gedwongen zelfbelasting als waarborg voor betrouwbaar bewijs en procesautonomie van de verdachte speelt mijns inziens vooral in klassieke strafzaken.