Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.3.2
VI.3.2 Terugwerkende kracht ‘bij statuten’
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178712:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 17 september 1993, NJ 1994/213 (Meier Mattern/VHS), rov. 3.2.
Zie Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/94 en Van Helden 2018, p. 747.
Aldus ook Waaijer 1993, p. 150-151, Dumoulin 1999, p. 72 en De Kluiver 1999, p. 86. In dezelfde zin ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/78 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/58.
Anders: Van Onzenoort 1996, p. 214.
Vgl. HR 18 december 1991, NJ 1992/334, m.nt. Maeijer (boekjaar), rov. 3.2. Zie ook Rb. Midden-Nederland 19 september 2018, JOR 2019/76, m.nt. Van Vught (Keniaans windmolenpark), rov. 4.10.
In deze zin ook Waaijer 1993, p. 148-150 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/124, onder verwijzing naar de (veelal kritische) verdere literatuur op dit punt.
Bekrachtiging heelt het desbetreffende besluit met terugwerkende kracht.1 Hoever kan dit gaan? Ik schets enkele casus. De statuten van een Nijmeegse studentendebatvereniging bepalen in art. 3 lid 1 dat slechts tot lid kunnen worden toegelaten ‘zij die als student zijn ingeschreven bij de Radboud Universiteit te Nijmegen’. Niettemin laat het bestuur een student van de Nijmeegse hogeschool toe. Is dat nietige bestuursbesluit2 bekrachtigd wanneer de desbetreffende student zich later voor een universitaire studie inschrijft? En wat nu als de statuten van de vereniging worden gewijzigd, in die zin dat de hier genoemde eis vervalt? Het antwoord op de eerste vraag luidt bevestigend, maar over het antwoord op de tweede vraag bestaan twijfels. Vergelijkbaar is de casus waarin de statuten bepalen dat het bestuur slechts besluiten kan nemen wanneer alle bestuurders in functie zijn.3 Desondanks neemt de enig overgebleven bestuurder de nodige besluiten. Zijn die nietige besluiten4 gered wanneer nadien de bedoelde statutaire bepaling wordt geschrapt? Denk ook aan de emissie die het maatschappelijk kapitaal te boven gaat, waarna dat kapitaal door statutenwijziging wordt verhoogd?5
In geen van deze gevallen werkt de statutenwijziging zelf terug in de tijd. Het gaat om het doorvoeren van een statutenwijziging als gevolg waarvan alsnog aan alle geldigheidsvereisten van een bepaalde rechtshandeling – een besluit – is voldaan. Tegen zulke impliciete terugwerkende kracht bij statuten bestaat mijns inziens geen bezwaar.6 Dat dit kan, volgt eenvoudigweg uit art. 3:58 BW. Een statutenwijziging is niets anders dan een omstandigheid waardoor de aan een besluit gestelde vereisten alsnog vervuld raken. De positie van derden levert geen principiële bezwaren op, nu dit geen bijzonder geval is en art. 3:58 lid 3 BW hun rechten beschermt.7
Maar de terugwerkende kracht kan verder strekken. Ik zou menen dat, ook waar art. 3:58 BW niet kan worden toegepast, de statuten met terugwerkende kracht kunnen worden gewijzigd zodanig dat een bepaald besluit – bijvoorbeeld tot wijziging van het boekjaar – retroperspectief geldig wordt. Wel moeten het besluit tot statutenwijziging en de statuten zelf uitdrukkelijk zo voorzien.8 Verkregen rechten kunnen er bovendien niet door worden aangetast.9 Dat aldus het statutaire regime ten tijde van het nemen van het besluit niet kenbaar was, doet hieraan niet af.