Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.7:7.7 Tussenconclusie
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.7
7.7 Tussenconclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661284:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik antwoord gegeven op de deelvraag: Op welke wijze kan de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting van de Belastingdienst aan burgers het beste worden herijkt? Het hoofdstuk geeft invulling aan de weg die moet worden ingeslagen na de herijking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting. Eerst heb ik een beoordelingskader geformuleerd aan de hand van rechtsstatelijke beginselen en het burgerperspectief, zodat kan worden bepaald wanneer sprake is van een goede oplossing en een verbetering ten opzichte van de huidige koers (paragraaf 7.2). Op grond van de bevindingen uit de eerste twee delen van het onderzoek heb ik een herijkingsvoorstel gedaan, dat inhoudt dat bij de toetsing van het vertrouwensbeginsel bij door voorlichting gewekt vertrouwen zowel een koerswijziging nodig is als een methodewijziging (paragraaf 7.3). Het risico op onjuiste en onvolledige voorlichting mag niet langer in de regel bij de burger worden gelegd, maar moet worden vervangen door de juridische grondhouding dat burgers op voorlichting moeten kunnen vertrouwen. Het belastingrecht moet een ruimere bescherming bieden aan de burger bij aan voorlichting ontleende verwachtingen, het burgerperspectief moet meer in acht worden genomen, en er moet een beter evenwicht tussen rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden bewerkstelligd. Het herijkingsvoorstel betekent in essentie dat de hoofdregel nee, tenzij wordt vervangen door een andere benadering, een afwegingskader (paragraaf 7.4). Dit biedt een instrument om in concrete situaties te beoordelen of de burger ‘in redelijkheid’ vertrouwen mag ontlenen aan de voorlichting waarop hij zich beroept. Toepassing van het voorstel op zeven casusposities liet zien dat het juridisch perspectief op gefundeerde wijze beter rekening kan houden met het burgerperspectief (paragraaf 7.5). Het afwegingskader blijkt bovendien, juist in gevallen waarin het problematische karakter van voorlichting (trade-off) zich manifesteert, toegevoegde waarde te hebben om gewekte verwachtingen systematisch te beoordelen op hun ‘redelijkheid’. Bovendien biedt het afwegingskader ruimte om bij het bepalen van rechtsgevolgen beter recht te doen aan de concrete situatie, geïnspireerd door inzichten uit het burgerperspectief. Toetsing van het voorstel liet zien dat het voorstel een verbetering oplevert in het licht van beoordelingskader van de rechtsstaat die het burgerperspectief in acht neemt (paragraaf 7.7). De voorgestelde koerswijziging brengt de juridische benadering van voorlichting beter in overeenstemming met zijn juridische grondslagen en doelen, en leidt tot een beter evenwicht tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming. Tegen mijn voorstel kunnen bezwaren worden ingebracht, maar deze heb aan de hand van ‘tegendenken’ gepareerd.