Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap
Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.3.2.4:3.2.3.2.4 Nieuwe Code de Commerce in 2000
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.3.2.4
3.2.3.2.4 Nieuwe Code de Commerce in 2000
Documentgegevens:
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS449876:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals eerder vermeld is in 2000 het gehele Franse handelsrecht in één nieuwe Code de Commerce samengebracht, waarbij de inhoud dezelfde is gebleven. De bepaling van art. 28 lid 2 zoals hierboven geciteerd is thans, inhoudelijk ongewijzigd, vernummerd tot art. L. 222-6 al. 2. Zoals hierboven al gereleveerd kent dit artikel de rechter een grote mate van discretionaire bevoegdheid toe: afhankelijk van het door hem te waarderen gewicht en het aantal van de overtredingen kan hij bepalen in hoeverre de bedrijvige commanditair aansprakelijk is voor vennootschapsschulden aan de totstandkoming waaraan deze zelf niet heeft meegewerkt. Deze grote beleidsvrijheid van de rechter heeft als nadeel de onvoorspelbaarheid van de uitkomst van de rechterlijke afweging, die rechtsonzekerheid met zich brengt. Anderzijds moet worden erkend dat dit nadeel minder zwaarwegend is dan het nadeel van het alternatief. Daarin zou immers elke rechtsverfijning zijn uitgesloten en de bedrijvige commanditair volledig aansprakelijk zijn, ook indien zijn handelen slechts een eenmalige overtreding van het bestuursverbod zou zijn met verwaarloosbare consequenties voor de vennootschap, of indien zijn handelen in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder gelet op het belang van de vennootschap, gerechtvaardigd was te achten.1 Voor de schulden die zijn ontstaan door het toedoen van de commanditair zelf bestaat deze rechterlijke vrijheid niet en is de bedrijvige commanditair altijd aansprakelijk.2 Daarbij is het niet duidelijk of daarbij vereist is dat de derde feitelijk in verwarring moet zijn geweest over de ware status van de bedrijvige commanditair of dat het naar buiten optreden van de bedrijvige commanditair op zichzelf al voldoende is om zonder meer het ontstaan van een dergelijke verwarring aan te nemen.3 Evenals voorheen werd aangenomen is ook thans de heersende opvatting dat een bedrijvige commanditair regres heeft op de gecommanditeerde vennoot voor al hetgeen hij op basis van art. L. 222-6 al. 2 aan derden mocht hebben betaald boven het bedrag van de door hem toegezegde inbreng: jegens hen blijft hij slechts verbonden tot dat bedrag.4