Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.2.3.2:3.2.3.2 iLawsysteembesluit
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.2.3.2
3.2.3.2 iLawsysteembesluit
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS353783:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 1.1 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 1.10 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 2.1 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. Art. 2.15 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 2.24 lid 1 en 2 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 3.1 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 4.114 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 6.1 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 1.1 lid 1Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 1.10 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 2.1 lid 1 Activiteitenbesluit.
Vgl. art. 2.15 lid 1 Activiteitenbesluit.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij wijze van voorbeeld is de algemene maatregel van bestuur iLawsysteem-besluit hierna omwille van de eenvoud beperkt tot vier hoofdstukken waarin in totaal elf artikelen voorkomen, die zijn ontleend aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit iLawsysteembesluit wordt bepaald door het samenhangcriterium 'activiteiten van inrichtingen'.
Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.11
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting zich geheel of grotendeels bevindt;
NRB: door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt; vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns.
Artikel 1.22
Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
Artikel 1.33
Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat een daarbij aangegeven maatregel ter bescherming van het milieu moet worden toegepast kan een andere maatregel worden toegepast indien het bevoegd gezag heeft beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
Hoofdstuk 2 Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten Artikel 2.14
Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Artikel 2.25
Degene die de inrichting drijft neemt alle bekende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.
Artikel 2.36
1. Degene die een inrichting drijft waarin vloeibare brandstofofafgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt opgeslagen stelt door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan of het drijven van het tankstation.
2. De zekerheid bedraagt € 225.000 per ondergrondse tank. Bij meer dan zes ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal € 1.361.340, 65.
Hoofdstuk 3 Voorschriften voor bepaalde activiteiten Artikel 3.17
Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering, die plaatsvindt in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming, of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.
Artikel 3.28
Bij het in werking hebben van een acculader wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 4.19
Voor een tankstation waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.2 een melding is gedaan, wordt voor de toepassing van artikel 1.2 een termijn van zes weken aangehouden.
Artikel 4.210
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen en voor verschillende soorten inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 4.311
Dit besluit wordt aangehaald als: iLawsysteembesluit.
Gesteld dat dit besluit alle milieuregels bevat voor de activiteiten van een tankstation en die van een bakkerij met winkel in het centrum, zij het dat niet alle artikelen onder alle omstandigheden op elk van die inrichtingen van toepassing zijn. De exploitant van elk van beide inrichtingen heeft geen andere keus dan het gehele iLawsysteembesluit te lezen om te weten welke regels op zijn inrichting van toepassing zijn. Dat valt in het geval van het iLawsysteembesluit nog wel mee, maar we dienen daarbij te bedenken dat het hier slechts een vereenvoudigd voorbeeld betreft; het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat honderden artikelen, die bovendien niet allemaal eenvoudig te doorgronden zijn.
Gesteld voorts dat aan de hand van een digitale vragenlijst (input) kan worden vastgesteld dat uitsluitend de artikelen 1.1, 1.2, 1.3, 2.1, 2.2, 2.3, 3.1, 4.1, 4.2 en 4.3 van het iLawsysteembesluit gelden voor een tankstation en uitsluitend de artikelen 1.1, 1.2, 1.3, 2.1, 2.2, 4.2 en 4.3 voor de bakkerij met winkel. Digitale ontsluiting, zoals de Activiteitenbesluit Internet Module levert als output een lijst met toepasselijke artikelen, die niet als wets-systeem worden gepresenteerd.
Zo zal digitale ontsluiting voor de bakkerij met winkel als output de volgende opsomming van toepasselijke artikelen opleveren:
Artikel 1.112
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting zich geheel of grotendeels bevindt;
NRB: door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt; vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns.
Artikel 1.213
Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
Artikel 1.314
Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat een daarbij aangegeven maatregel ter bescherming van het milieu moet worden toegepast kan een andere maatregel worden toegepast indien het bevoegd gezag heeft beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
Artikel 2.115
Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Artikel 2.216
Degene die de inrichting drijft neemt alle bekende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.
Artikel 4.217
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen en voor verschillende soorten inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 4.318
Dit besluit wordt aangehaald als: iLawsysteembesluit.
Een belangrijk nadeel van deze digitale ontsluiting is, dat de op de exploitant van de bakkerij met winkel daarmee wel de beschikking krijgt over de toepasselijke regels, maar niet over een wetssysteem: volgens bepaalde criteria geordende, onderling samenhangende regels. Het ontbreken van een geheel van onderling samenhangende regels zal zich nog ernstiger doen voelen als de regels die vallen binnen het samenhangcriterium 'bakkerij met winkel' niet slechts in het iLawsysteembesluit staan, maar in een aantal wetten, algemene maatregelen van bestuur en/of ministeriële regelingen.
Een iLawsysteem kan dergelijke nadelen aanzienlijk verminderen en wellicht zelfs voorkomen. Dat levert als output namelijk geen lijst met toepasselijke artikelen, maar een op de desbetreffende inrichting toegespitst en voor de exploitant van de desbetreffende inrichting relevant wetssysteem dat uitsluitend de toepasselijke artikelen in samenhang bevat. In paragraaf 3.2.3.3 is het resultaat opgenomen voor het tankstation en in paragraaf 3.2.3.4 voor de bakkerij met winkel. De exploitant van elk van beide inrichtingen behoeft niet het gehele iLawsysteembesluit te lezen, maar slechts een op zijn inrichting toegespitst wetssysteem: het iLawsysteembesluit Tankstations dan wel het iLawsysteembesluit Bakkerij met winkel. Opgemerkt zij, dat het beide inrichtingen omvattende iLawsysteembesluit blijft bestaan.